
Ten tijde van de Franse dichter en toneelschrijver Louis Hyacinthe Bouilhet (1822-1869) kende men nog geen chirurgische borstvergotingen. Je had wel reeds bustehouders van de klasse 'extra gevuld' (de firma Unox had hier overigens niets mee te maken). En niet te vergeten het onder de naam queue de Paris bekend staand kussentje dat de bips voordelig moest doen uitkomen. (Een Oostenrijkse collega van me, een vrouw nog wel, beweerde bij hoog en laag, hoewel haar Frans erbarmelijk was, dat de juiste term cul de Paris luidde. Ik had mooi uitleggen dat dit 'Parijse kont' betekende, maar ik heb nooit van haar gelijk kunnen krijgen. In de kantlijn zij opgemerkt dat, als één meid zo'n uitrustingsstuk niet nodig had, zij het wel was).
Henk, wat dwaal je weer af! Leer ik het dan nooit? Bovendien krijg ik een vapeurtje van het geschrijf over dit soort onderwerpen.
Bouilhet dus. Hij ging school met Gustave Flaubert, maar de twee werden pas later dikke vrienden. Flaubert stelde hoge prijs op de kunstzinnige smaak van zijn intimus en raadpleegde hem dan ook vaak over zijn romans. Niet voor niets heeft hij Madame Bovary aan Bouilhet opgedragen. Ook zorgde hij ervoor dat posthuum het laatste toneelstuk van zijn vriend op de planken kwam en publiceerde hij op eigen kosten een posthume poëziebundel met een enthousiaste Hommage à Louis Bouilhet.
Maar wat wilde ik ook weer zeggen? O ja, onze dichter had een troostrijk woord voor de vrouwen die vinden dat de natuur hen op het stuk van voorgevel karig bedeeld heeft: Men is dichter bij het hart, wanneer de boezem plat is.
Noot: Ik heb dit citaat gevonden in de roman De doopvont van Ferdinand Bordewijk.
Tien minuten later werd hij opgemonterd wakker, juist toen zij zelf begon weg te doezelen. Ze vond het niet erg. Ze was mannen als tamelijk fragiel gaan beschouwen. Hij móest af en toe een uiltje knappen, anders hield hij zijn drukke leven niet vol. Het leek haar de keerzijde van het genie. Zij had er geen moeite mee om mannen als genialer te beschouwen dan vrouwen. Ze zag de uitingen van manlijk genie als verdergaande spelingen van de natuur, uitschieters waarvoor ze duur betaalden: zwakker, sterflijker, gauwer van hun stuk gebracht, alleen in stand gehouden door het immense leger der taaie toegewijde ancillae, het vrouwenheir.
Vraag: van wie is dit bedenkelijke proza?
Bordewijk noemde Huxleys Brave New World bij verschijning 'een prul'. De reden is mij onbekend. Vond hij het te pessimistisch?
Verschillende critici hebben erop gewezen dat Bordewijk zelf een sombere kijk op het menselijk bedrijf had. De volgende passage uit zijn kort verhaal Ziel en correspondent uit de bundel Het eiberschild (1949) schijnt hun gelijk te geven.
In de Middeleeuwen toonde het mensdom meer stijl dan tegenwoordig. Er bestond toen geen proletariaat, al waren er proletariërs. Daarna ving het aan te worden, te groeien. De Franse Revolutie vermaakte het aan de negentiende eeuw. En deze beging een der grote misdaden uit de geschiedenis. Hij kende de caste als zodanig en erkende haar niet. Hij schafte de slavernij officieel af en schiep haar officieus. Hij sneed daarmee in het vlees van het mensdom, maar hij sneed geen gezwel uit, hij gaf het integendeel ruimte tot ontwikkeling. En de twintigste eeuw, zo hoopgevend, na de eerste wereldoorlog, bracht een ommekeer die geen verbetering zou blijken. Het proletariërdom verdween als stand door de werking van materiële welvaart. Maar zijn kiemen hadden zich in de hersens genesteld, en na de tweede wereldoorlog zijn wij zover van geen stand meer te moeten erkennen, maar een geheel mensdom verproletariseerd. En het leven mist stijl.
Afbeelding: De handtekening van Bordewijk. Over de voorletter schreef zijn vrouw, in de hoop een einde te maken aan een hardnekkige fout: 'Ferdinand, niet Frans!'
A conference is a gathering of important people who singly can do nothing, but together can decide that nothing can be done.
Uitspraak van de Iers-Amerikaanse radiokomiek Fred Allen, die leefde van 1894 tot 1956.
De foto, genomen rond 1916, laat Allen zien met zijn buikspreekpop. Het originele onderschrift vermeldt dat de komiek de figuur rechts is.
Ik heb liever dat na mijn dood de mensen vragen waarom ik geen monument heb dan waarom ik er wel een heb.
Uitspraak van Marcus Porcius Cato Censorius maior (234-149 v.Chr.), de meest typische regent van het oude, republikeinse Rome. Hij was een bekwaam magistraat en officier, wilskrachtig, koppig. Hij verheerlijkte de traditionele Romeinse deugd der soberheid en leefde daar ook zelf naar.
Cato had niet veel op met de volgens hem te luxueuze Griekse cultuur. De Griekse artsen wantrouwde hij met heel zijn hart. Zij hebben niet alleen gezworen ons uit te roeien, zij laten er zich nog voor betalen ook, meende hij.
'Wat vrouwen ook ondernemen, zij moeten dubbel zo goed zijn als mannen om half zo goed te worden gevonden. Gelukkig is dat niet moeilijk.'
Dit is een uitspraak van de Canadese feministe Charlotte Elizabeth Whitton (8 maart 1896-25 januari 1975).
Zij was aanvankelijk journaliste, maar verkoos uiteindelijk het openbaar bestuur. Van 1951 tot 1954 was zij burgemeester van Ottawa.
Zij heeft zich aanzienlijke verdiensten verworven op het terrein van wetgeving voor kinderbescherming. (Zelf had zij geen kinderen en zij is ook nooit getrouwd).
Charlotte Whitton was beroemd (en gevreesd) om haar assertiviteit en prikkelende humor.
Sinds een paar weken heeft mijn lijfblad Trouw 's zaterdags een rubriekje met de titel De boekenkast van.... Eergisteren was het woord aan Ivo de Wijs, een woordkunstenaar van zeldzaam formaat; en uiteraard een hartstochtelijk lezer.
Hij heeft heel dierbare herinneringen aan Pieter Bas van Godfried Bomans, dat naar zijn zeggen voor hem de deur heeft geopend naar humor en zelfs naar Charles Dickens.
Op de vraag welk boek hij iedereen kan aanraden, antwoordt hij: Ach, zoveel. Ik zit nu naast een Simon Vestdijk, daarnaast staat Felix Timmermans. Karel van het Reve lees ik vaak vanwege zijn scherpte. Ik lees hem eigenlijk liever dan zijn broer Gerard. De avonden en De ondergang van de familie Boslowitz zijn natuurlijk fantastisch, maar later, toen hij alleen nog maar over jongetjes schreef, had ik het wel gezien.
En welk boek kan hij iedereen afraden? Het werk van Toon Tellegen. Ik begrijp niets van die dialogen met dieren. En nieuw proza. Asjeblieft, geef me een kop en een staart! En Connie Palmen kan ook niet schrijven.
Ivo, kom aan mijn hart! Je haalt me de woorden uit de mond, met uitzondering dan van je opmerking over Tellegen, van wie ik nooit iets heb gelezen. Eindelijk eens een kenner die durft te roepen dat de keizer geen kleren aan heeft.
Dat er something rotten is in de staat van onze beroepsrecensenten, blijkt wel uit de opmerking van de auteur Désanne van Brederode: Onder schrijvers heb je altijd een sfeertje van laten we elkaar sparen.
O tempora, o mores!, o tijden, o zeden!, zeiden de oude Romeinen. (Grapje met een enorme baard: o stulti professores!, o domme leraren!, voegden de studenten eraan toe). Een dezer dagen zag ik toevallig een flits uit een belegen doch 'uit het volle leven gegrepen' soap. Het gold een meisje van 17 dat op een feestje te veel had gedronken, cocaïne had gesnoven, met meerdere knapen van bil was gegaan en prompt in gezegende omstandigheden was geraakt. De ouders vonden er niks gezegends aan (zij zelf trouwens ook niet), te minder omdat dochterlief zich met de beste wil van de wereld niet kon herinneren wie haar berijders waren geweest en wie dus eventueel moest aantreden voor het vaderschap.
Een heel verschil met 1874, toen de roman Majoor Frans uitkwam, waaraan ik het volgende ontleen (de samenspraak wordt geopend door freule Francis Mordaunt):
- Leo, zeg mij, hebt gij veel met vrouwen omgegaan?
- Met de vriendinnen mijner moeder nogal, maar sinds...
- Ik vraag niet naar oude vrouwen; ik meen of gij niet, als de meeste heeren, van tijd tot tijd geleden hebt aan die tusschenpoozende koorts, die zij verliefdheid noemen?
- Ik heb alles gedaan wat noodig kon zijn om niet aan die kwaal bloot te staan. Het Amerikaanse stelsel van flirtation heb ik nooit kunnen goedkeuren. Coquetteeren met jonge meisjes en vrouwen achtte ik gevaarlijk en immoreel, en daar ik leefde in het vooruitzicht dat ik nooit geld genoeg zou verdienen om al de kant, zijde en fluweel te kunnen betalen, die tegenwoordig tot de noodwendigheden van een damestoilet behooren, heb ik de striktste neutraliteit in acht genomen tegenover allen, om niet verlokt te worden van mijn beginsel af te gaan.
- En heeft datgene wat men passie noemt u dan nooit overmeesterd?
- Ik heb niet de gewoonte mij te laten overmeesteren door wie of wat ook. Ik bezit eenige kracht om resistentie te bieden, en ik zou die gebruikt hebben zoo het geval zich had voorgedaan; maar dat is niet gebeurd. Ik had geen leedigen tijd genoeg om mij zulke distracties te geven.
Majoor Frans, destijds gepresenteerd als een 'novelle', is een romantisch werk van de apothekersdochter en onderwijzeres Anna Louisa Geertruyda ('Truitje') Bosboom-Toussaint, een der beste schrijvers van onze 19de eeuw. Het is vertaald in het Engels, Frans, Duits en Zweeds. Mevrouw Bosboom werd in 1812 geboren te Alkmaar en overleed in 1886 in Den Haag.
'Zelfs op de meest verheven troon ter wereld zitten we op onze eigen kont.'
Een uitspraak van de Fransman Michel Eyquem de Montaigne (1533-1592). Hij was staatsman, maar is vooral beroemd geworden om zijn prachtige essays, die nog altijd miljoenen boeien.
Zijn bekendste citaat is wellicht: Que sais-je? (Wat weet ik?).
Afbeelding: Montaigne geschilderd door Daniel Dumoustier.
We weten heel goed dat we moeten sterven, maar we geloven het niet.
Deze 'opmerkelijke en diepzinnige' uitspraak heb ik gevonden in Le disciple, een althans vroeger vermaarde roman van de Fransman Paul Bourget (1852-1935).
De schrijver zegt dat hij hier een 'christelijk predikheer' citeert.
Afbeelding: Paul Bourget rond 1895, een olieverfportret van Paul Chabas. Het bevindt zich in privé-bezit.
Freule Célestine van Oldenpaal tot Oldenzaal: 'Truitje, morgen loopt je proeftijd als binnenmeisje af. Ik heb goed nieuws voor je. Ik en de jonkheer hebben besloten dat je mag blijven. Je bent ijverig, netjes op jezelf en onderdanig. Eén ding echter bevalt ons niet: je praat plat en dat moet veranderen. Je zult het niet zeggen, want je bent onderdanig -- en terecht --, maar misschien denk je in je binnenste: wat maakt het nu uit hoe ik praat? Nu, dat maakt een heleboel uit, want het is een zeer, zeer slecht voorbeeld voor de kinderen. Dus voortaan niet meer zeggen: 'zussie' maar 'zusje'; niet meer 'meissie' maar 'meisje'; niet langer 'vorkie' maar 'vorkje'.'
Freule Célestine, daags daarna: 'Truitje, ga eens op een draf naar de kruidenier en haal voor 10 cent foelie en voor 25 cent maggi.'
Truitje, in de winkel: 'Voor een dubbeltje foelje en voor een kwartje magje.'
Simon Vestdijk scheen dit heel geestig te vinden (zelf bedacht?); ik heb het althans in twee van zijn romans gelezen.
Is het hele heelal niet het vaderland van twee trouwe gelieven? Vinden zij niet, de een in de ander, vader, moeder, verwanten, vrienden, rijkdommen en geluk?
Dit staat te lezen in de uit 1731 daterende roman Histoire du chevalier Des Grieux et de Manon Lescaut van Abbé Prévost (1-4-1697/25-11-1763).
Weinig boeken zijn zo geprezen en zo verguisd als dit galante werk. Prikkelend is het oordeel van de grote denker Montesquieu, de auteur van 'De l'esprit des lois': Het verbaast me niet dat deze roman, waarvan de held een deugniet is en de heldin een lichtekooi, in de smaak valt, omdat alle misdragingen van de held als beweegreden de liefde hebben, die altijd een edel motief is, ook wanneer het gedrag slecht is.
Afbeelding: Prévost leest voor uit zijn Manon Lescaut. Het schilderij is van Joseph Caraud en is ontstaan in 1856.

De blauwe enveloppen zijn weer op de mat gevallen, het is dus weer cijferen en invullen geblazen. Geldt voor Neêrland ook wat Herman Wouk over de Verenigde Staten schreef: 'Er wordt tegenwoordig niets zo fantastisch' op schrift gezet als de aangifte voor de inkomstenbelasting.'?
Wouk, zoon van joods-Russische immigranten, is de schrijver van de bestseller The Caine Mutiny. Hij werkte deze roman om tot een toneelstuk, dat naderhand ook is verfilmd (met een onvergetelijke Humphrey Bogart in de hoofdrol). De auteur kende de US Navy van binnenuit; tijdens de oorlog diende hij als officier op mijnenvegers. In die tijd begon hij te schrijven, tussen de wachten in.
Foto: Herman Wouk tijdens een bezoek aan Israël in 1955.
Wie iets fantastisch' in de letterkundige zin des woords wil lezen, kan terecht bij de Oostenrijker Gustav Meyrink (1868-1932; portret rechts), de schrijver van het wereldberoemde, in 1915 verschenen Der Golem.
In de Bibliotheca Philosophica Hermetica te Amsterdam loopt momenteel een tentoonstelling over Meyrink. Daar ligt een notitieboekje waar de auteur tijdens een bezoek aan Amsterdam opschreef wat hij aan Nederlands om zich heen hoorde: Stick-verreck-fal dod-chot verdomi-aschübliw.
Hermann Harry Schmitz, op 12 juli 1880 geboren in Dusseldorp, werd op last van zijn vader, die een fabriek had, opgeleid voor de handel, maar besloot al jong van zijn pen te gaan leven. Als schrijver neemt hij een vrij aparte plaats in, omdat hij het genre groteske vertellingen beoefende.
Hij wekte de indruk van een vrolijke Frans, vooral omdat hij, als dandy gekleed, vaak als conferencier optrad op benefietavonden. Maar dat was een masker; hij had zware tuberculose, waarvan hij herhaaldelijk genezing zocht in ziekenhuizen en sanatoria, tot op Corsica toe. Toen hem duidelijk werd dat de medische wetenschap niets voor hem kon doen, joeg hij zich een kogel door het hoofd (8 augustus 1913).
Zijn 24 beste verhalen zijn gebundeld in Buch der Katastrophen, dat posthuum is verschenen (1914). De Nederlandse vertaling, Katastrofale verhalen, van de hand van Gerrit Komrij is in 1968 uitgegeven door Van Ditmar.
Hier een citaat van Schmitz: 'Er is ellende zat in de wereld, je moet er alleen oog voor hebben.'
Hier is een goeie van Samuel Goldwyn: De televisie heeft het schrijven opgetild naar een nieuw dieptepunt.
Hij werd ergens in juli 1879 als Schmuel Gelbfisz geboren in Warschau, emigreerde al jong naar Birmingham, waar hij zich Samuel Goldfish ging noemen, en in 1908 naar de Verenigde Staten. Met ene SelWYN richtte GOLDfish de Goldwyn Pictures Corporation op, die als embleem de brullende leeuw Leo adopteerde. Het bedrijf werd later door anderen opgekocht en gefuseerd tot M-G-M; maar toen was Goldwyn er al uitgewerkt.
Samuel Goldwyn is op 31 januari 1974 overleden.
'Dokter, als ik met mijn vrouw aan het spelen ben, hebben mijn ballen een afwijking! Ze draaien steeds naar links...' (...)
'U heeft last van uw ballen,' informeer ik voorzichtig. 'Maar u heeft toch schouderklachten opgegeven als reden voor de spreekuurafspraak?'
'Jazeker, dokter! En door die pijnlijke schouder sla ik bij het golfen dus nu steeds met de afwijking naar links!'
(Huisarts Jan Mulder in Zin)
'... klaar zag ze door haar eigen wezen heen en uit die stilte in haar en om haar rezen de woorden voor wat haar bezielde vlekkeloos en vast. Dan beefde haar hand van bewogenheid om het wonder van het woord, van de ritmische volzin als voor een omsluierd geheim, waarin een afschijn van het grote levensgeheim, van mens en heelal verborgen ligt. Dan wist ze niet meer van trots en niet van zelfgevoel, maar besefte alleen dat ze een werktuig was, zwak en onvolkomen, wijl ze toch wat in de diepste verschieten bewoog met woorden niet zeggen kon --, niettemin was ze dankbaar dat ze dat werktuig wezen mocht, en het kwam haar voor, dat ze, in die volkomen nederigheid, dat volkomen loochenen van eigen macht en kunnen, groter en gelukkiger was dan in de oude, klemmende, altijd op anderen bedachte trots.' (Carry van Bruggen -- 1881-1932 --, Een coquette vrouw).
Washington Irvings bundel The Sketch Book of Geoffrey Crayon, Gent. wekte in de literaire kringen van het Verenigd Koninkrijk niet weinig verbazing. Een Amerikaan die schreef! En nog wel zo goed schreef!
Hier weer een staaltje uit The Wife:
As the vine, which has long twined its graceful foliage about the oak, and been lifted by it into sunshine, will, when the hardy plant is rifted by the Thunderbolt, cling rond it with its caressing tendrils, and bind up its shattered boughs; so it is beautifully ordered by Providence, that woman, who is the mere dependant and ornament of man in his happier hours, should be his stay and solace when smitten with sudden calamity; winding herself into the rugged recesses of his nature, tenderly supporting the drooping head, and binding up the broken heart.
Afbeelding: Borstbeeld van Washington Irving door Friedrich Beer.
Washington Irving gaat als volgt verder:
Nothing can be more touching than to behold a soft and tender female, who had been all weakness and dependence, and alive to every trivial roughness, while treading the prosperous paths of life, suddenly rising in mental force to be the comforter and supporter of her husband under misfortune, and abiding, with unshrinking firmness, the bitterest blast of adversity.
Washington Irving -- interessante man; interessante schrijver ook. Ik heb me voorgenomen binnen afzienbare tijd enkele logboekjes te wijden aan zijn oeuvre. In afwachting daarvan een kleine reeks prikkelende citaten uit zijn vertelling The Wife, die te vinden is in zijn bundel The Sketch Book of Geoffrey Crayon, Gent. Lezeressen die vallen over softer, weakness, dependence, gelieven te bedenken dat het stuk geschreven is in 1819-1820.
I have often had occasion to remark the fortitude with which women sustain the most overwhelming reverses of fortune. These disasters which break down the spirit of a man, and prostrate him in the dust, seem to call forth all the energies of the softer sex, and give such intrepidity and elevation to their cahracter, that at times it approaches to sublimity.
De 'Italiaanse brille' in de kop van mijn vorig weblogje slaat op Riccardo Bacchelli. Aan deze interessante schrijver heb ik de afleveringen 3 t/m 5 van de serie gewijd. Hier alvast twee citaten uit zijn roman La città degli amanti.
De mogelijkheid dat zij ten huwelijk gevraagd zou worden, kwam niet eens bij Dorotea op. De verschillen die het geld schept tussen de mensen en de sociale klassen, zijn de meest tirannieke die er bestaan. Wat in aristocratische kringen de trots nog kan strelen, ridderlijkheid bijvoorbeeld, dapperheid of nobele gelaatstrekken, gaat in kapitalistische milieus door voor zaken van nul en gener waarde.
De man uit Lucca was niet slechts iemand met een aangeboren grote vindingrijkheid, hij was ook zeer belezen. Hij beheerste de kunst van het lezen, waarvan heden ten dage, nu iedereen alfabeet is, niemand nog merkt dat hij het verleerd is.
Gisteren heb ik met enige weemoed afscheid genomen van Wilhelm Meisters Lehrjahre. Ik heb het boek gelezen in een (fraaie) DDR-uitgave van 1966, 638 bladzijden, en het heeft me van a tot z ongemeen geboeid. Het is het schoolvoorbeeld van de Bildungsroman en heeft een enorme invloed gehad, wat niet verwonderlijk is.
Tot besluit van mijn reeks enkele aren die ik heb gelezen.
Wer nie sein Brot mit Tränen aß,
Wer nie die kummervollen Nächte
Auf seinem Bette weinend saß,
Die kennt euch nicht, ihr himmlischen Mächte.
De frivole Philine verwijt Wilhelm dat hij haar veel verdriet heeft gedaan, maar is eerlijk genoeg om te zeggen dat zij het er ook een beetje naar gemaakt heeft. Wilhelm trok zich deze woorden aan. Hij kende de wereld te slecht om te weten dat juist lichtzinnige en onverbeterlijke mensen zich vaak het felst aanklagen, ook al bezitten zij totaal geen kracht om terug te keren van de dwalingen huns weegs waar hun inborst hen onweerstaanbaar naar toe drijft. Hij kan daarom niet boos op de bevallige zondares blijven.
Nur wer die Sehnsucht kennt,/Weiß, was ich leide!/Allein und abgetrennt/Vor aller Freude,/Seh ich ans Firmament/Nach jener Seite./Ach! der mich liebt und kennt,/Ist in der Weite./Es schwindelt mir, es brennt/Mein Eingeweide./Nur wer die Sehnsucht kennt,/Weiß, was ich leide!
(Noot: Eingeweide betekent hier, zoals vaker in Goethes tijd: binnenste, hart).
Ik moet er nu eenmaal voor boeten dat ik een Duitse ben; het ligt in de aard van de Duitsers dat zij over alles moeilijk doen, dat alles als een zware last op hen drukt.
Darum an dem langen Tage/Merke dir es, liebe Brust:/Jeder Tag hat seine Plage,/Und die Nacht hat ihre Lust.
Maar eigenlijk kon men bij deze aangelegenheid de opmerking onderstrepen dat men geen toestand die langer moet duren, ja, die op de keper beschouwd een beroep of een wijze van leven moet worden, zou moeten beginnen met feesten. Men dient slechts te vieren was met succes is bekroond; alle plechtigheden bij een begin putten de motivatie en de krachten uit die ambitie scheppen en ons helpen bij onze voortdurende inspanningen. Van alle feesten is de bruiloft het meest ongeschikt; geen zou er meer gepaard dienen te gaan met stilte, nederigheid en toekomstverwachting.
De mens is zo licht geneigd zich af te geven met de meest banale dingen, zijn geest en verstand worden zo gemakkelijk ongevoelig voor indrukken van wat mooi en volmaakt is dat men op alle mogelijke manieren zijn ontvankelijkheid moet beschermen. Immers, niemand kan het helemaal zonder een dergelijk genot stellen. Slechts het onvermogen om van iets goeds te genieten is de oorzaak dat veel mensen tevreden zijn met onbenulligheden en zaken die van wansmaak getuigen. Men moet eigenlijk minstens elke dag naar een lied luisteren, een goed gedicht lezen, een fraai schilderij bekijken en, indien mogelijk, een paar verstandige woorden uiten.
(Johann Wolfgang von Goethe, Wilhelm Meisters Lehrjahre, deel 5, hoofdstuk 1)
Opoe Groen is een schatje, maar als je het bij haar verbruit, is het met haar kwaad kersen eten. Zij zit ook zo in elkaar dat haar wensen en zelfs haar verwachtingen, ja, haar uitnodigingen het karakter dragen van dienstbevelen, die prompt en zonder sputteren dienen te worden opgevolgd. ('En geen gelul van: ik wist het niet,' is een geliefde uitdrukking van Opoe.) Toen haar huisknecht Huig mij opbelde met de mededeling dat Opoe met mij een borrel wenste te drinken, greep ik dan ook terstond hoed, jas en stok en liet mij door mijn chauffeur Charles naar haar bungalow in de boswachterij van A. koetsieren.
'Mevrouw verwacht u in de paddock,' zei huisknecht Huig, tevergeefs trachtend de kippenborst uit te zetten in zijn geel-zwart gestreept buisje, waarin hij lijkt op een hoornaarwesp (vespa crabro). En wat tref ik aan? Opoe op haar vurige Arabische hengst Advocaat Enait, het ene ruiterstukje na het andere vertonend (foto). En tussen twee capriolen riep zij mij op snijdende toon toe: 'Dit alles om mijn sappen op het kookpunt te brengen, want ik heb een appeltje met je te schillen, jonge vriend!' (Opoe heeft haar viervoeter zo genoemd, omdat hij zo mooi opstaat).
Na het hippisch bedrijf dreef Opoe mij met gedecideerde tikjes van haar dressuurzweep op mijn kont de rijstal in. (Er schijnen kerels te zijn die dat pikant vinden en er zelfs grof geld voor neertellen, maar ik zweer het: voor mij absoluut geen tuchtiging op mijn bil, zelfs niet al mag ik daarna van diezelfde bil gaan.) En daar, in de hoek van een lege box waarin zij mij geblokkeerd had, barstte Opoe Groen los: 'Je weet wat je voor de vrouwen van de OMVH betekent. Toch heb je je afgegeven met die jarreteldel van een Fukje. Daarmee heb je mij en de andere meiden zeer, zeer gekwetst. Weet je wat jij bent? Je bent een verachtelijk zinnenmens! Een wellustige mandril is er niks bij!'
Nu, ik zou jokken, indien ik beweerde dat dit niet hard aankwam. Maar ik heb voor heter vuren gestaan . En zo declameerde ik gedragen: 'Ik bemin je, teder, in-goed en lieftallig schepsel in zo hoge mate dat ik lijd onder elk ogenblik mijns levens dat ik zonder jou heb doorgebracht. Laat mij althans met mijn fantasie deel hebben aan je voorbije jaren! Vertel me alles, ik wil je ook alles vertellen... En laat ons trachten de tijd die voor onze liefde verloren is gegaan, te herwinnen... Mijn gedachten zijn lieflijk als de geesten der schemering; rust en verlangen wisselen zich in mijn boezem af; duizendvoudig gaat de liefde met huiverende hand over alle snaren mijner ziel; het is alsof het gezang der sferen boven mij stokt om naar de zoetgevooisde melodieën van mijn hart te luisteren. '
Waarop Opoe zwijmelde: 'Goethe! Wilhelm Meisters Lehrjare, Erstes Buch! En nog wel helemaal op mij toegesneden! Gekke, gekke jongen!' Zij wierp haar door het mennen van Arabische kleppers zo welgevormde armen om mijn hals, overdekte mijn gelaat met kussen en bevochtigde mijn wangen met heur tranen.
Moge haar voorbeeld navolging vinden, opdat ik het bezemhok waarheen ik als straf voor mijn lichtzinnigheid ben verbannen, mag verlaten en weer word toegelaten, met alle rechten en plichten, tot het exclusieve gezelschap van de OMVH.
Juist toen de algemeen beschouwers amechtig, met haantjesgedrag ten behoeve van televisie, radio en schrijvende pers weer vorm gaven aan hun kennelijk onuitroeibaar waanidee dat zij door veel anderen dan de habitués van het Binnenhof serieus worden genomen, las ik Die Harzreise van Heinrich Heine (Düsseldorf, 1797-Parijs, 1856; afbeelding). Het is een prozastuk (daterend uit 1824), in hoge mate poëtisch en ook nog eens gelardeerd met heuse gedichten. En laat ik nu een strofe vinden die bij uitstek toepasselijk was!
Unterdessen muß regieren/Der Minister, jener Hund,/Dessen knurriges Gebelle/Widerhallet in der Rund.
Maar het wordt nog mooier. Tijdens de gezwets- en geleutermarathon waarin Radio 1 sedert zijn herprofilering is ontaard, werd weer eens de vraag aangesneden of koningin Beatrix binnenkort haar geëerbiedigd en geliefd zitvlak van de troon zal heffen ten faveure van haar oudste zoon. Wie het misschien zal vergaan als in de volgende strofen van hetzelfde gedicht:
Schläfrig lallt der junge König:/'Das Regieren ist so schwer,/Ach, ich wollt, daß ich zu Hause/Schon bei meiner Kön'gin wär'!
In den Armen meiner Kön'gin/Ruht mein Königshaupt so weich,/Und in ihren lieben Augen/Liegt mein unermeßlich Reich!'
PS: Ik ben het helemaal eens met de verzuchting van Fialas in haar reactie op mijn vorige logboekje. Wie zich niet laaft aan de Duitse cultuur, weet niet wat hij mist. Bravo, Fialas!
Ludwig Börne (Frankfurt am Main, 1786-Parijs, 1837) studeerde aanvankelijk medicijnen, later politieke wetenschappen en staatsrecht, maar voelde meer voor een letterkundige loopbaan. Hij schreef enkele romans, is echter de geschiedenis ingegaan als een juweel van de Duitse journalistiek. Vooral zijn satirische correspondenties vanuit Parijs, waarheen hij in 1830 was verhuisd, waren beroemd-berucht.
Een van zijn bekendste werken is de grafrede op de Duitse schrijver Jean Paul (pseudoniem van Johann Paul Friedrich Richter, 1763-1825). Daaraan ontleen ik onderstaand citaat. Men zal zeggen: wel erg idealistisch en niet weinig hoogdravend. Maar ik stel dat je literatuur in zijn tijd moet zien en die tijd was de Romantiek. En wat mooi vind ik dat tekstje van Börne!
Niets is duurzaam behalve de afwisseling; niets bestendig behalve de dood. Elke hartenklop voegt ons een wonde toe en het leven zou een eeuwig verbloeden zijn, als we de dichtkunst niet hadden. Zij waarborgt ons wat de natuur ons onthoudt: een gulden tijd, die niet roest, een lente, die niet verwelkt, wolkenloos geluk en eeuwige jeugd.
Hoor ik daar iemand 'Heinrich Heine!' roepen? Inderdaad: Heine heeft dit citaat genomen als motto voor zijn charmante novelle Die Harzreise (1824).
Afbeelding: Dit portret van Ludwig Börne is geschilderd door Moritz Daniel Oppenheim.
Preuts ben ik waarachtig niet. Voor een stevige portie erotiek mogen ze mij altijd van Ulysses, A la recherche du temps perdu of de psalmvertalingen van Marnix van Sint-Aldegonde halen, dat is bekend.
Als ik dan toch van tijd tot tijd in een logboekje van leer trek tegen een roman met veel dampende, gedetailleerde seks, dan doe ik dat, omdat ik vind dat een auteur de fantasie van zijn publiek niet de wind uit de zeilen moet nemen.
In dit verband een artikeltje dat gisteren onder de kop Seks heeft taboes nodig in de Gazet van Antwerpen te lezen viel.
In westerse landen daalt de seksuele activiteit zienderogen. De verklaring: seks is alomtegenwoordig in reclame, op tv, in de pers en in de literatuur. Dat heeft een banaliserend effect en doet de lust verdwijnen.
Sinds begin jaren 90 daalt de seksuele activiteit in de westerse wereld. Het fenomeen wordt steeds vaker geïllustreerd met cijfers, zoals zopas door twee Duitse studies.
Wetenschappers van de universiteit van Göttingen ondervroegen 13.483 mannen en vrouwen met een vaste partner: 17 procent had de laatste vier weken helemaal geen geslachtsverkeer, 57 procent slechts één keer en ongeveer een kwart deed het nog één of twee keer per week. Tegelijk stelde seksuoloog Günter Schmidt na een onderzoek bij 800 inwoners van Hamburg en Leipzig vast dat 60-jarigen nog seksueel actiever zijn dan singles van 30. Altijd hetzelfde: libido op een laag pitje.
G-plek
“De nagel op de kop”, zegt uro- en androloog Bo Coolsaet. “Zonder taboes verdwijnt het mysterie, en ook de (goede) seks. Eén van onze tv-zenders vroeg me ooit, mee te werken aan een taboedoorbrekende film. Ik weigerde met de woorden: ik zou veel liever enkele taboes opnieuw installeren.”
“We worden met seks overspoeld en tegelijk krijgen de mensen te weinig of verkeerde informatie. Te weinig voorlichting over de essentie van de seksualiteit en over het functioneren van onze organen. Het meest beschreven orgaan van de vrouw is de zogeheten G-plek, een orgaan dat niet bestaat. Bij seks is verhulling nodig, het mysterie moet gecultiveerd worden."
"Daardoor kunnen (seks)fantasieën het limbisch systeem in onze hersenen activeren, waarbij via chemische processen de seksuele delen van ons lichaam gestimuleerd worden. Hoe sterker de suggestie, hoe groter de prikkel. Het verborgene maakt de lust intenser en gemis is de bron van het verlangen.”
Parenclub
“Omgekeerd werkt het tonen van puur-instinctieve, fysieke seks - denk maar aan parenclubs - eerder afstotend en weerzinwekkend dan prikkelend”, aldus de seksuoloog.
“In sterk toenemende mate maak ik het mee in mijn praktijk: de seksuele activiteit neemt snel af, het syndroom van de aseksualiteit grijpt om zich heen: mannen en vrouwen die alle interesse en lust in seks verloren hebben, juist door het wegvallen van de taboes.”
Zeggen citaten iets over het wezen of de actuele gemoedsgesteldheid van de citant?
Bij mij niet per se. En meestal per se niet. Ik heb een voorkeur voor kernachtige, niet noodzakelijkerwijze diepzinnige maar wel kleurrijke of pikante aanhalingen uit schrijfsters en schrijvers die goeddeels vergeten zijn. (En hoe vaak zijn zij dat volledig ten onrechte!)
Hier is nog een passage uit Zelfportret of Het galgemaal van Herman Teirlinck.
Babette verschijnt. Zo groot is het prestige van vrouwelijke schoonheid dat haar boodschap in een flits sprakeloos van blik tot blik wordt doorgezonden. Langzaam treedt Babette aan in een licht dat tegelijkertijd, dunkt u, geweldiger is geworden. Wellicht is die onverwachte uitzetting van de klaarte en ruimte toe te schrijven aan de vele spiegels die de wanden bekleden. 't Is of ge die voor de eerste maal opmerkt. Verbazend veel spiegels, zegt ge bij u zelf. En zoals Babette daarin opdaagt, doet het wel een beetje pompeus aan. Zelfs maakt ge uw eigen wijs dat dergelijke grootscheepsheid niet verenigbaar is met de bescheiden conditie van een meid die uit de broek van uw concierge is geschud.
Nu weet ik wel dat een vrouw, om redenen die voor mannen duister blijven, uit haar hengsels kan worden gelicht. En het is de man alleen die haar in haar natuurlijk evenwicht kan herstellen. Laat hij daarbij het onderzoek verwaarlozen naar oorzaken, die hij immers niet subtiel genoeg is om te bevroeden. Laat hij haar kordaat in zijn armen nemen, en liefderijk wachten tot ze in haar evenwicht is hersteld.
Dit is er een van de Vlaming Herman Teirlinck (24 februari 1879-4 februari 1967). Hij was dichter, toneelschrijver en vooral romancier en heeft een indrukwekkende reeks werken op zijn naam staan. In 1956 werd hij onderscheiden met de Grote Prijs der Nederlandse Letteren. In zijn danig afwisselende loopbaan was hij onder meer leraar Nederlands aan het koninklijk hof van België en raadsheer voor kunsten en wetenschappen van drie koningen: Albert I, Leopold III en Boudewijn.
Bovenstaand citaat is te vinden in zijn laatste roman, een soort gewetensonderzoek, Zelfportret of Het galgemaal uit 1955.
'Moet je eens horen, Henk, je bent een lieve jongen, maar dat gezwets over dat boek van je heeft nu lang genoeg geduurd. Kun je daar inkomen?'
'Ja, meiden.'
'Heb je niet iets anders in de aanbieding? Echte literatuur of zo? Desnoods iets dat niet direct bedoeld is voor ontwikkeld volk, zoals jij dat ziet, maar daarentegen wel te pruimen is.'
'Ja, meiden. Wat denken jullie van Jakob Böhme? Het was een Duitse schoenmaker, maar hij is beroemd geworden als protestants mysticus, wijsgeer en godgeleerde. Hij werd in 1575 geboren in Alt Seidenberg en stierf in 1624 in het nabijgelegen Görlitz (Silezië). Hoewel hij dus niet oud is geworden, althans naar onze begrippen, en de kost moest verdienen met handwerk, heeft hij tal van geschriften nagelaten. Hij gaat door voor een magistraal denker, wiens diepe, innerlijke wijsheid en geheel eigen taalgebruik tallozen, onder wie geleerden en kunstenaars, hebben geïnspireerd. Hier een citaat van Böhme:
Voor wie tijd is als eeuwigheid
en eeuwigheid als tijd,
hij is bevrijd
van alle strijd.'
'O, thee! O, vriendschap! O, kalmerend licht!'
Wie dat heeft geschreven, weet ik niet meer, maar ik vermoed dat hij of zij juist voordien weblogjes had zitten lezen. Immers, is het niet hartverwarmend vast te stellen hoe de doorsnee weblogster en weblogger zich lyrisch uitperst over de olijke aard van kat, kater en keeshond? Over de uitzonderlijke lichamelijke en geestelijke kwaliteiten van de partner? Over het rustgevende groen en de jubelende bloemenpracht in de achtertuin, alwaar de gevederde vrienden de vroege worm komen verschalken? Ja, dan kunnen wij troost vinden in de vaststelling dat er nog een heile Welt is, een leven buiten de benarde toestand van ons koninkrijk.
Helaas zijn er ook webloggers die, verteerd als zij worden door eerzucht, deze idylle verstoren door het waanidee dat zij de hoedanigheden voor het afscheiden van een roman bezitten. En alsof zij het zodoende al niet bont genoeg maken: zij schromen niet hun publiek te verleiden op een afbeelding in de linkerkolom van hun webbladzijde te klikken en door het overmaken van € 15,00 (porto binnen Nederland inbegrepen) het boek te verwerven.
Om dergelijke kerels een lesje te leren hier een citaat van de Amerikaanse schrijfster (Mary) Flannery O'Connor (foto):
'Overal vraagt men mij of ik vind dat de universiteit schrijvers in de knop breekt. Ik ben van mening dat de universiteiten er niet genoeg in de knop breken. Menige bestseller had in de kiem gesmoord kunnen worden door een bekwame leraar.'
Ik blijf nog even bij Georges Duhamel. (Foto: Le notaire du Havre is het eerste deel van zijn tiendelige romancyclus Chronique des Pasquier).
Er zijn webloggers die de driestheid bezitten een roman te schrijven en dat ook nog in het volle honderd mede te delen. En dan heb je weblogsters en -loggers die roekeloos genoeg zijn om zo'n boek te bestellen en het misschien zelfs te lezen.
Voor beide categorieën stervelingen heeft Georges Duhamel behartenswaardige woorden in petto.
Tijdens het lezen in afzondering heeft de mens die zichzelf zoekt, enige kans zichzelf te ontmoeten. (Uit: Défense des lettres)
Ik heb voor boeken een bijgelovig ontzag, zelfs als ze middelmatig zijn, zelfs als ik ze verfoei. (Uit de vijfdelige romanreeks Vie et aventures de Salavin).
Het hoogste doel van de romancier is 's mensen ziel voor ons voelbaar te maken, ons in staat te stellen haar te leren kennen en haar lief te hebben in haar grootsheid en haar ellende, in haar zegepralen en haar nederlagen. Bewondering en mededogen -- dat is het devies van de roman. (Uit: Essai sur le roman).
Niet allen oordelen zo loffelijk over Peter Høegs Smilla's gevoel voor sneeuw als ik in mijn logje van 25 april. Hij wordt nogal cynisch gevonden. Als nabrander hier drie citaten die aan deze kritiek voedsel kunnen geven.
Verliefdheid wordt mateloos overschat. Verliefdheid bestaat voor vijfenveertig procent uit vrees niet geaccepteerd te worden, voor vijfenveertig procent uit de bezeten hoop dat deze vrees uitgerekend dit maal beschaamd zal worden en voor een schamele tien procent uit het broze gevoel dat liefde mogelijk is.
Liefde komt voort uit overvloed; zij verdwijnt, wanneer men in de buurt van het instinctieve komt: de honger, de slaap, de behoefte aan veiligheid.
Ik kan me niet voorstellen dat er zoiets bestaat als de christelijke hel. Maar ik zie wel iets in het oude Groenlandse dodenrijk. Als je nagaat welke onaangename dingen je op je levensweg ontmoet, is het onwaarschijnlijk dat daaraan na je dood een einde komt.
Zoals de
fysiotherapeut zogenaamde buitenpatiënten heeft, zo telt de OMVH (en
dit is weinig bekend) ook buitenleden. Het geldt dames die volledig lid
zijn, met alle rechten en plichten, en het is mij een behoefte te
melden dat allen stipt hun contributie betalen, hoewel zij deze niet
van de inkomstenbelasting mogen aftrekken, nademaal onze organisatie
niet als goed doel of als iets groens te boek staat. Het verschil met
de gewone leden is dat zij niet deelnemen aan ons webverkeer; het
zijn dus in de technische zin des woords lurkleden.
Pikant is nu dat de lurksters wel genoemd willen worden. Bijgaande meid bijvoorbeeld (die ik om redenen van privacy met de verzonnen naam Jojanneke uitrust) merkte gisteren niet weinig korzelig op: 'Ik stel vast dat je mij nog nooit een beurt hebt
gegeven .' Nu is het riskant een dergelijke opmerking te richten tot
een zeker slag kerels (tot wie ik beslist niet behoor), maar al ras
werd mij duidelijk dat Jojanneke de oneigenlijke betekenis van haar
woorden niet kende en ik heb het maar laten zitten, want ik ga toch al
voor pedant door.
Is de vriendin uit mijn logboekjes
van 13 en 16 dezer bij uitstek lichamelijk ingesteld, Jojanneke is een uitgesproken
intellectueel type. Bij onze eerste kennismaking (een onvergetelijke
gebeurtenis, ik kan er tot mijn laatste snik op teren) zeide zij mij:
'Je moet er rekening mee houden dat ik het fysieke in het geheel van
mijn vrouwelijke persona voor een bijkomstige, ja, platte waarde houd.' (Verbaal begaafd als die meid is! Heerlijke gesprekspartner!)
Een
voor haar kenmerkende uitlating was die van een paar weken geleden:
'Mag ik je eens open en bloot onthullen wat me zo in je aantrekt?'
'Natuurlijk mag je dat, lekker stuk.'
'Niet van die wufte praat, Henk, wenn ich bitten darf.'
(En kent ook haar talen. Verrukkelijke gesprekspartner!) 'Wel, ik kan
me niet onttrekken aan de bekoring van het feit dat je niet deugt.'
'Dat meen je niet.'
'Dat meen ik wel degelijk. En ik ben in dezen niet de eerste. Denk aan George Meredith! Hij schrijft in The Ordeal of Richard Feverel zeer snedig: Hij
gaf haar te kennen dat hij slecht was, heel slecht en dat zij hem
terugvoerde van de dwalingen zijns weegs. De heldin heeft, evenzeer als
de held, de ambitie zich in de wereld nuttig te maken; iets goeds aan
te richten; en de taak een ondeugende man te bekeren is buitengewoon
verleidelijk voor brave vrouwen... Dierbaar aan hun tedere boezem is,
als antiek porselein, een zondig man die zij tot inkeer brengen... Het
is zo heerlijk voor een vrouw te geloven dat zij een slang haar
giftanden heeft uitgerukt.'
Dus, dierbare binnenleden van de
OMVH, meld ik me de komende tijd eens minder vaak op het webtoneel, dan
is Jojanneke in haar bomvrije flat bezig mij de catechismus te
overhoren.
'Er war reif genug um zu wissen, daß es zwischen Liebespaaren überhaupt nur einen einzigen Ausweg gibt: das sogenannte Fortwursteln. Liebespaare können sich in bezug auf gar nichts in der Welt einigen, weil ja der ganze Witz darin besteht, daß sie immer zwei sind -- ,'ce mal d' être deux', wie Stéphane Mallarmé es genannt hat. Einigkeit gibt's da nur im Belanglosen, in Schöngeistereien, Kunstgenüssen, 'gemeinsamen Interessen' und ähnlichem Blödsinn.'
(Heimito von Doderer, Die Dämonen)
Wieneke (klikkerdeklak) lijkt uitgesnotterd. Zij heeft tenminste weer het hoogste woord. En zij schaamt zich weer niet in andermans website in te breken en aldaar naar hartenlust te geiten. Waarbij ik natuurlijk weer tête de Turc ben.
Hier echter een citaat dat ook luitjes met herstelde slijmvliezen aan het denken kan zetten. Het is gevloeid uit de pen van Honoré de Balzac en staat in zijn (zeer aanbevolen) roman La duchesse de Langeais.
'De mensen vinden het best dat wij een trapje hoger dan zij komen te staan. Maar zij vergeven ons nooit ofte nimmer dat wij niet even diep zinken als zij.'
Sommigen liggen door griep ondermijnd tussen de vette lappen. Anderen zijn nog ter been, maar leiden snotterend een beklagenswaardig bestaan. Weer anderen prijzen elke morgen hun zegeningen (en zegelringen), wanneer zij kunnen vaststellen dat tot nu toe de ouderdom zonder -- of althans met weinig -- problemen is gekomen.
Maar wat is oud?
Wel eens de film The Sunshine Boys gezien, die Herbert Ross in 1975 draaide? Hij gaat over twee komieken op jaren die een doorstart moeten maken. Walter Matthau acteert de sterren van de hemel, maar zijn tegenspeler George Burns geeft hem prima partij. (Hij kreeg een Oscar voor zijn rol).
Burns was ook een geestige kerel. Over de ouderdom zei hij eens: 'Je bent oud, wanneer je je bij het bukken voor het strikken van je veters afvraagt of je in die houding nog wat anders kunt doen.'
Burns wist waar hij het over had. Hij is 100 jaar en ruim 1 maand geworden.
Geen beter begin, in deze donkere dagen vóór Kerstmis, van weer een nieuwe werkweek dan een portie stevige letterkundige liefdeskost. Waarvoor men altijd terecht kan bij Honoré de Balzac. Die het niet alleen smakelijk opdient, maar het ook nog eens geschikt houdt voor onder de kerstboom.
Het volgende is uit de roman Comment aiment les filles uit 1838, het eerste deel van de tetralogie Splendeurs et misères des courtisanes.
De scène speelt zich af op een operabal. Veel gasten zijn gemaskerd. Lucien de Rubempré, één der hoofdfiguren in het univers balzacien, groot minnaar, paradeert aan de arm van een vrouw, naar wier identiteit enkele mannen van de wereld likkebaardend gissen.
Ondanks dit vormloos omhulsel konden zij het meest ontroerende van alle schouwspelen herkennen: het oog valt op een vrouw die wordt bezield door een ware liefde. ..
De gemaskerde vrouw wekte de indruk dat zij daar alleen was met Lucien; dat voor haar de andere tienduizend aanwezigen niet bestonden, evenmin als de zware, van stof vergeven atmosfeer. Nee. Zij was daar onder het hemelgewelf van de Liefdesgoden, zoals de madonna's van Rafaël zijn gevat in hun ovalen lijsten van verguldsel. Zij voelde de ellebogen van de anderen niet, het vuur van haar blik verliet de twee gaatjes van haar masker en verenigde zich met de ogen van Lucien en het was zelfs zo dat de siddering van haar lichaam haar bron scheen te vinden in de bewegingen van haar vriend. Vanwaar komen die vlammen die een verliefde vrouw omstralen en haar doen opvallen onder alle andere? Vanwaar komt die lichtheid van de mythologische luchtgeest die de wet van de zwaartekracht schijnt te tarten? Is het de ziel die ontsnapt? Bezit het geluk lichamelijke eigenschappen?
Foto: Balzac, het beroemde standbeeld van Rodin.

Op 27 oktober wrochtte ik al een logje (klik) over de grote Oostenrijkse schrijver Adalbert Stifter.
Hier is een ander citaat van hem, dat evenals het vorige te vinden is in zijn roman Brigitta.
De psychologie heeft veel belicht en verklaard, maar veel ook is in het duister gebleven en op grote afstand. Daarom geloven we dat het niet te boud is op te merken dat hier voor ons nog een lichte, onmetelijke afgrond ligt, waarin God en de geesten vertoeven.
In de ogenblikken van verrukking slaagt de ziel er dikwijls in er overheen te vliegen, doordat de kinderlijke onschuld van de dichtkunst haar vleugels geeft; maar de wetenschap met haar hamer en haar duimstok staat dikwijls pas aan de rand en in veel gevallen moet zij zelfs nog een begin maken met haar werk.
Vol verwachting klopt ons hart...
Voor een aantal blogvriendinnen echter, van de Stellingwerven tot Montpellier, zo heb ik uit betrouwbare bron, zal het hart tevergeefs kloppen. Zij moeten in de zak. Wegens stoutigheden. Die kiesheid en mijn aangeboren vriendelijkheid mij beletten te benoemen.
Om voor hen het leed te verzachten, hier enkele bons mots van de Brits-Amerikaanse humorist -- eigenlijk violist van zijn stiel -- Henny Youngman. De geestigheid heeft hem goed gedaan; hij is althans bijna 92 jaar geworden (16 maart 1906-24 februari 1998).
Voor het hart bestaan er geen onbeduidende gebeurtenissen. Het hart maakt van alles iets groots. Het legt op de ene kant van de weegschaal de val van een veertien jaar oud keizerrijk en op de andere zijde de val van een dameshandschoen. En bijna altijd weegt de handschoen meer dan het keizerrijk.
Honoré de Balzac, die zijn pappenheimers kende, schreef dit in zijn roman La duchesse de Langeais. De auteur, één van de groten der wereldliteratuur, werd in 1799 geboren te Tours en overleed in 1850 in Parijs.
And he who has thought a love extinct, and is surprised by the old
fires, and the old tyranny, he rebels, and strives to fight clear of
the cloud of forgotten sensations that settle on him; such pain it is,
the old sweet music reviving through his frame, and the charm of his
passion filing him afresh. Still was fair Lucy the one woman to
Richard. He had forbidden her name but from an instinct of
self-defence. Must the maids of baser metal dominate him anew, it is in
Lucy's shape.
Thinking of her now so near him--his darling! all her
graces, her sweetness, her truth; for, despite his bitter blame of her,
he knew her true--swam in a thousand visions before his eyes; visions
pathetic, and full of glory, that now wrung his heart, and now elated
it. As well might a ship attempt to calm the sea, as this young man the
violent emotion that began to rage in his breast. "I shall not see
her!" he said to himself exultingly, and at the same instant thought,
how black was every corner of the earth but that one spot where Lucy
stood! how utterly cheerless the place he was going to! Then he
determined to bear it; to live in darkness; there was a refuge in the
idea of a voluntary martyrdom. "For if I chose I could see her--this
day within an hour!--I could see her, and touch her hand, and, oh,
heaven!--But I do not choose." And a great wave swelled through him,
and was crushed down only to swell again more stormily.
(Uit George Meredith: 'The Ordeal of Richard Feverel')
Arthur Schopenhauer (geboren op 22 februari 1788 in Danzig, gestorven op 21 september 1860 in Frankfurt am Main) is één van de prominente wijsgeren, dat is bekend. Minder bekend is dat hij ook als een grootmeester van de Duitse taal geldt. (Zijn familie, kooplieden, had overigens haar wortels in Nederland. 'Mijn vader, Heinrich Floris, sprak nog heel goed Nederlands. Ik echter in het geheel niet,' schreef hij in 1857).
Schopenhauer heeft niet alleen filosofische maar ook bellettristische werken nagelaten. Hier is een parabel van zijn hand.
DE STEKELVARKENS
Een groep stekelvarkens schurkte op een koude winterdag lekker dicht aaneen om zich door elkaars warmte te beschutten tegen bevriezing. Zij voelden echter dra elkaars stekels, wat hen dan weer van elkaar verwijderde. Wanneer de behoefte aan warmte hen nu wederom samenbracht, herhaalde zich het tweede euvel, met het gevolg dat zij tussen beide aandoeningen heen en weer geslingerd werden, tot zij een optimale afstand van elkaar hadden gevonden, waar zij het 't best konden uithouden.
Zo drijft de maatschappelijke behoefte, ontsproten uit de leegte en de monotonie van het eigen innerlijk, de mensen tot elkaar; maar hun talrijke akelige eigenschappen en onuitstaanbare kwalijke kanten jagen hen weer uiteen. De optimale afstand, die zij uiteindelijk vinden en die samenleven mogelijk maakt, wordt gevormd door hoffelijkheid en goede manieren. Degenen die de bedoelde afstand niet respecteren, roept men in Engeland toe: keep your distance! Op deze wijze wordt de behoefte aan wederzijdse verwarming weliswaar slechts in onvolkomen mate bevredigd, maar worden de prikkels van de stekels niet gevoeld.
Wie echter veel eigen, inwendige warmte bezit, doet er goed aan de samenleving te mijden, teneinde geen overlast te berokkenen noch te moeten incasseren.
Eén van de vele schilderachtige figuren uit de Britse politiek is Edwina Currie (geboren Cohen, zij is van 13 oktober 1946).
Zij zat van 1983 tot 1997 in het Lagerhuis als conservatief lid voor het kiesdistrict South Derbyshire en van 1986 tot 1988 bracht zij het zelfs tot junior minister op het departement van Volksgezondheid. Als gevolg van haar verklaring dat helaas de meeste Britse eieren waren besmet met salmonella, stortte de markt ineen en vielen de ganse boerenstand plus een aanzienlijk deel van de politieke wereld over haar heen en moest zij haar portefeuille inleveren.
Ook als schrijfster heeft zij naam gemaakt: zij heeft zes romans en vier non-fictie boeken, waaronder haar Diaries 1987-1992, het licht doen zien. Deze laatste, verschenen in 2002, veroorzaakten een enorme opschudding, omdat zij erin onthulde dat zij vier jaar een verhouding had gehad met John Major, destijds fractieleider onder minister-president Margaret Thatcher. (Beiden waren getrouwd). Niet zo fraai was dat zij later Major betichtte van sexisme en rassisme en hem in de hoek zette als 'één van de minst bekwame premiers'. In latere jaren boekte zij aanzienlijk succes met radio- en televisieprogramma's.
In 1997 scheidde zij na een kwart eeuw van de accountant Ray Currie en vier jaar nadien huwde zij met de gepensioneerde speurneus John Jones, die zij als haar gast in de radiostudio had leren kennen.
Edwina Currie was bekend om haar kernachtige uitspraken. Dit is er één van: 'De beste raad die ik elk meisje kan geven, is: naai er niet op los en rook niet.'
Bij de altijd interessante blogvriendin Nanos (Alhier) loopt momenteel een gedachtewisseling over boeken waar men zich nooit doorheen heeft kunnen worstelen.
Als tegenhanger een aforisme van Robertson Davies:
'Een echt goed boek moet je eigenlijk drie keer lezen: in je jonge jaren, op middelbare leeftijd en op je oude dag. Net zoals je een mooi gebouw drie maal moet bekijken: bij het ochtendgloren, op het middaguur en in de maneschijn.'
Robertson Davies, die leefde van 1913 tot 1995, is één van de meest populaire schrijvers van Canada. Hij heeft een respectabel aantal romans en toneelstukken op zijn naam staan. Van de eerste gaat het goeddeels autobiografisch Fifth Business uit 1970 voor zijn beste door. Hij was tevens criticus, journalist en hoogleraar letterkunde.
Tot mijn schande moet ik bekennen dat ik nooit iets van hem gelezen heb. Zelfs zijn naam was me tot voor kort onbekend. Wie weet uit eigen ervaring iets over zijn werk te vertellen?
'... de meest zuiverende, de allermooiste bloem van de liefde, maar slechts van de allerhoogste liefde, is de vergiffenis; daarom wordt deze ook steeds bij God gevonden en bij de moeders. Reine harten vergeven dikwijls, onreine nooit.'
Dit citaat staat in de roman Brigitta van Adalbert Stifter, een van de grote Oostenrijkse schrijvers. Hij leefde in de Biedermeier-tijd, te weten van 1805 tot 1868.
'
Out in the world there, on the skirts of the woodland, a sheep-boy pipes to meditative Eve on a penny-whistle.
Love's musical instrument is as old, and as poor: it has but two stops; and yet, you see, the cunning musician does thus much with it!
Pipe no more, Love, for a time! Pipe as you will, you cannot express their first kiss; nothing of its sweetness, and of the sacredness of it nothing. St. Cecilia up aloft, before the silver organ-pipes of Paradise, pressing fingers upon all the notes of which Love is but one, from her you may hear it.'
(Uit de roman The Ordeal of Richard Feverel van George Meredith; hij leefde van 1828 tot 1909)
Waaraan denkt gij, hangjongeren van het Henkgrasduint-park, wanneer gij de somma € 158.000,00 ziet?
Juist! Aan de Balkenende-norm. Een commissie, die zojuist heeft gerapporteerd, wil dat niemand in de publieke sector meer gaat verdienen dan de minister-president.
Nu wil het mij voorkomen dat de premier van het Koninkrijk der Nederlanden zeer royaal betaald wordt. Het is immers een van de weinige banen waarvoor geen enkel diploma vereist is. Je hoeft niet eens over een mooie hand van schrijven te beschikken.
'Natuurlijk, regeringen in het algemeen, onverschillig welke regering waar dan ook, is een aangelegenheid van uitgelezen oubolligheid voor iemand die tot de jaren des onderscheids is gekomen.'
Aldus de Pools-Engelse schrijver Joseph Conrad in zijn roman Nostromo.
Susan Ertz werd in 1894 geboren in het Verenigd Koninkrijk uit Amerikaanse ouders. Tijdens haar jonge jaren woonde zij afwisselend in de Verenigde Staten en haar geboorteland, maar met haar 18 vestigde zij zich voorgoed in Engeland.
Zij heeft twintig romans en twee bundels korte verhalen nagelaten. Haar boeken gaat meestal over vrouwen die onvoorzien uit hun rustig bestaan worden geslingerd en het proberen te rooien in een min of meer vijandige wereld.
Als haar beste roman geldt The Proselyte uit 1933. Die ken ik niet. Ik las van haar het kostelijke Now East, Now West uit 1927 (in een vertederende Penguin-uitgave van rond 1940).
Hier is een aardige uitspraak van haar: 'Er zijn miljoenen mensen die naar onsterfelijkheid verlangen, maar die niet eens weten hoe zij een regenachtige zondagmiddag moeten vullen.'
Susan Ertz is overleden in 1985.
'De grofste verleiding waaraan de kunst bloot staat, is de neiging het genie uit te hangen.'
Dit is een -- behartenswaardige, dunkt me -- uitspraak van de Argentijnse schrijver Jorge Luís Borges. Hij werd in 1899 geboren in Buenos Aires en is in 1986 overleden te Genève.
Het citaat is te vinden in zijn vertelling L'approche d'Almitasim, die is opgenomen in zijn bundel Fictions uit 1944.
Wie denkt dat hij niets van Borges' werken kent, heeft misschien de film Blow-Up van de deze week overleden regisseur Michelangelo Antonioni gezien; die is gebaseerd op een verhaal van de Argentijnse auteur.
Mignon McLaughlin
(geboren op 6 juni 1913 in Baltimore, overleden op 20 december 1983 in
New York) was vooral bekend als journaliste. Zij werkte onder meer
voor het befaamde modeblad Vogue. Geen hoge ogen gooide zij met een toneelstuk, wel met haar korte verhalen en haar twee boeken met de titel The Neurotics' Handbook.
Van haar zijn ook aardig wat bons mots overgeleverd.
Heel snedig -- en actueel! -- vind ik deze: 'Niemand luistert echt naar
iemand anders en als je een tijdje oplet, begrijp je ook waarom.'
Krijg je van veel bier een bierbuik?
Dat zit er dik in. Echter niet omdat het gerstenat zo veel voedingsstoffen bevat. Het zijn slechts 40kcal per 100 gram, even veel als appelsap en minder dan volle melk.
De boosdoener is de hop, wezenlijk bestanddeel van bier. Hierin zit namelijk het vrouwelijk hormoon oestrogeen en dit bevordert de opslag van vet in het weefsel.
Over feiten en sprookjes inzake spijs en drank schrijft de Duitse specialiste Barbara Kleineidam hier .
Voor de zoveelste dag in
successie (de mens is ook nooit tevreden) worden we belaagd door
donder, bliksem, hagel, regen en -- wie weet -- misschien zelfs een
miniwindhoos. Ik heb daarom geen zin in een diepzinnige beschouwing
over boeken, maar maak het me gemakkelijk met het lezen van aren achter
twee snaakse maaiers.
' Vergissen is menselijk. Nog menselijker is het de computer daar de schuld van te geven.'
'Er zit zo veel rotzooi in de lucht dat het milieu er geen raad mee zou weten, als er onze longen niet waren.'
Dat zijn er twee van Robert Orben (* 4 maart 1927), een Amerikaanse
goochelaar en auteur van geestige boekjes. Dertig jaar heeft hij voor
verschillende media humoristische nieuwsbrieven geschreven, waarmee hij
daarginds een enorme populariteit heeft verworven. In 1973 ging hij de
politiek in en het jaar daarop werd hij ghostwriter voor president Gerald Ford.
En hier nog eentje van (de al eerder ten tonele gevoerde) Rita Rudner:
'Mijn moeder heeft drie echtgenoten begraven. Twee van hen lagen een
uiltje te knappen.'
Hier, op deze zompige en plakkerige maandagochtend, een troostrijke gedachte voor blogsters die zich kwellen om af te vallen.
'Als je voortdurend in je rats moet zitten over je lijn en je dieet, is
zogenaamde gezondheid niet veel beter dan een nare ziekte.'
Dit is een uitspraak van de Amerikaanse snaak George Denison Prentice,
journalist, dichter en humorist. Hij leefde van 1802 tot 1870.
'Ik ben van ballet getrapt, omdat ik een spier in het kruis had verrekt. Maar het was niet mijn kruis.'
Dat is een typische van Rita Rudner, een Amerikaanse comédienne en
schrijfster van humoristische boekjes. Sinds een jaar of zes treedt zij
vrijwel uitsluitend op in Las Vegas. Zij is ook te zien geweest op de
Britse buis, onder meer in Comic Relief, een sympathiek programma dat geld inzamelt om het lijden van zieke kinderen te verlichten.
Nog eentje van mevrouw Rudner: 'Ik ging naar een specialist voor een
cosmetische ingreep, maar ik ben van gedachten veranderd, toen ik in
zijn wachtkamer allemaal schilderijen van Picasso zag hangen.'
'Gezondheidsfreaks zullen raar staan te kijken, wanneer ze op zekere dag in een ziekenhuis sterven aan niks.'
Dat is er een van de Amerikaanse acteur John Elroy Sanford (1922-1991),
alias Redd Foxx. Hij is vooral bekend geworden door de televisieserie Sanford and Son, waarin hij de vader speelde. De reeks is ook op de Nederlandse huisbioscoop uitgezonden.
'Deel van de onmenselijkheid van de computer is dat hij, als hij eenmaal deskundig geprogrammeerd is en soepel werkt, honderd procent eerlijk is.'
Dit is een uitspraak van Isaac Asimov. Hij was biochemicus van zijn stiel, maar is beroemd geworden door zijn boeken over science fiction en zijn populair-wetenschappelijke geschriften. Hij heeft zo'n 500 werken op zijn naam staan.
Asimov is in 1920 geboren in Rusland, maar emigreerde met zijn 3 jaar naar de Verenigde Staten, waar hij in 1996 is gestorven.
Hier nog eentje van Asimov:
'Het leven is aangenaam, de dood vredig. Het is de overgang die niet leuk is.'
In mijn vierde logje over Thomas
Hardy (7 mei) had ik het over de liefde van de Engelsen voor hun
literatuur. Die eigenschap is niet van vandaag of gisteren. In 1782
schreef een Duitser, ene Moritz, na een verblijf in Engeland het
volgende:
'Het is zeker dat de
Engelse klassieke auteurs door onvergelijkelijk veel meer mensen worden
gelezen dan de Duitse, die in het algemeen alleen door de geleerden
worden gelezen, of hoogstens door mensen uit de middenstand. De Engelse
nationale auteurs komen in handen van iedereen en worden door allerlei
mensen gelezen, waarvan de talloze edities een voldoende bewijs zijn.
Mijn hospita, die niet meer is dan de weduwe van een kleermaker leest
haar Milton en ze heeft mij verteld dat wijlen haar echtgenoot op haar
verliefd geworden was, omdat zij Milton op een zo mooie toon kon lezen.
Dit voorbeeld op zichzelf zou niet veel bewijzen, maar ik heb gesproken
met verscheidene mensen uit de lagere standen, die allen hun nationale
schrijvers kenden en die allen werken van veel van die schrijvers, zo
niet alle, hadden gelezen.'
Ik vond dit citaat vanochtend in Sociale geschiedenis van Engeland van
sir
George
Trevelyan (foto), die leefde van 1876 tot 1962. Het is geen
roman
maar een wetenschappelijk werk, een pil van 640 bladzijden; toch leest het
verbazend gemakkelijk; en het is razend interessant. De vertaling is in
1968 door Spectrum uitgegeven in de Aula-reeks.
'Wat onze wereld nodig heeft, zijn genieën die uitmunten in bescheidenheid. We zijn toch al met zo weinigen.'
Dat is een typische van de Amerikaan Oscar Levant (1906-1972). Een genie was hij niet, wel een multitalent: pianist, componist, schrijver, acteur, humorist.
Hij had een gedegen muzikale opleiding genoten. Zo studeerde hij van 1935 tot 1937 compositieleer bij niemand minder dan Arnold Schönberg, de vader van de twaalftoonsmuziek. Als solist oogstte hij zekere successen met de pianoconcerten van Tsjaikovskij en Rubinstein. Maar hij zal toch vooral bekend blijven om zijn televisie-optredens, waarvoor hij altijd weer gevraagd werd wegens zijn gevatheid en zijn one-liners.
Helaas wist hij vaak geen maat te houden, wat soms het voortijdig einde van een programmareeks betekende. Audrey Hepburn beschreef hij eens als een wandelende röntgenfoto, van Doris Day zei hij dat hij haar al gekend had toen zij nog geen maagd was en een collega boorde hij in de grond met de opmerking: 'Onder een flodderig uiterlijk verbergt zich een fenomenaal gebrek aan karakter.'
In het dagelijks leven was Levant een probleemman. Wegens neuroses moest zijn vrouw hem een paar keer laten opnemen, hij leed aan medicijnenverslaving en hij was een geheide hypochonder. Lange tijd deed het verhaal de ronde dat hij op zijn grafsteen had laten beitelen: 'Ik zei toch dat ik ziek was'; maar dat blijkt verzonnen te zijn.
'Wees altijd heel lief voor je kinderen, want zij zijn het die straks je bejaardenhuis uitzoeken.'
Dat is er een van Phyllis Diller, in de Oude Wereld, voor zover ik weet, volslagen onbekend, maar in de Verenigde Staten vele jaren een naam van formaat als conferencier, in welke hoedanigheid zij een pioniersrol heeft vervuld. Zij maakte zich voor de planken goed lelijk: een slonzige huisvrouw met een onverzorgde, wilde haardos en onmogelijke kleren. Haar handelsmerken waren een lang sigarettenpijpje en vooral een kakelende lach.
Zij was niet te beroerd om haar eigen imago voor de mal te houden: 'Ik liep zo snel als mijn stramme benen me dragen konden met mijn afval achter de vuilniswagen aan en riep of ik te laat was. Roept de chauffeur terug: "Nee hoor, spring er maar in".'
Phyllis Diller hoopt op 17 juni 90 jaar te worden.
'Waarom ben ik geboren onder deze tijdgenoten?'
Dat is er een van Oscar Wilde.
Over wie ik wel niets hoef te melden.
Behalve misschien dit: Wilde was van Nederlandse komaf. Een Nederlandse huurling, zekere kolonel De Wilde, dien de in het leger van Oliver Cromwell en werd voor bewezen diensten beloond met landerijen in Ierland.
Dit heb ik ontdekt in het voorwoord tot een uitgave van Wildes Complete Works. Het is geschreven door zijn zoon Vyvyan Holland (!) en het zal dus wel kloppen.
Rood vlees is NIET slecht voor je. Blauw-groen vlees is WEL slecht voor je. (Tommy Smothers)
'Je kunt van de Tien Geboden zeggen wat je wilt, je komt toch altijd weer terug op de prettige omstandigheid dat het er maar tien zijn.'
Dit is een bon mot van H.L. Mencken (Henry Louis; 12/9/1880-29/1/1956), in zijn tijd een zeer invloedrijk journalist, satiricus en maatschappijcriticus.
Hij werd wel 'De wijze van Baltimore' genoemd, naar zijn geboorteplaats, waar zijn vader, een Duitse immigrant, een sigarenfabriek had.
'In de Verenigde Staten kan tegenwoordig een meisje of jongen van 18 jaar een diploma van middelbare school, hbo of universiteit halen, zonder ooit te hebben gezorgd voor een baby of zelfs er maar een te hebben vastgehouden; zonder ooit troost te hebben verschaft of hulp verleend aan een medemens die dat werkelijk nodig had... Geen samenleving kan zich op den duur handhaven, tenzij haar leden zich de geesteshouding, de motivering en de vaardigheden eigen hebben gemaakt die vereist zijn om andere mensen te helpen en te verzorgen.'
Aldus Urie Bronfenbrenner (1917-2005), een in Rusland geboren en in de USA werkzame wereldautoriteit op het gebied van ontwikkelings- en gezinspyschologie. Het citaat staat in zijn The Ecology of Human Development uit 1973.
Op de bijzonder leerzame (en niet zelden hoogst vermakelijke) site www.onzetaal.nl vond ik vandaag bovenstaand menu voor een zakenlunch in een bekend Belgisch restaurant.
Warm aanbevolen, deze site!
Hier een citaat voor de individualisten onder ons:
'Jezelf zijn in een wereld die haar best doet, dag en nacht, om je op ieder ander mens te laten lijken, is het taaiste gevecht dat een menselijk wezen kan leveren; en aan dat gevecht komt nooit een einde.'
Het stamt uit de pen van de Amerikaanse dichter Edward Estlin Cummings (1894-1962). Hij heeft 15 poëziebundels op zijn naam staan; die veelal gekenmerkt worden door eigenaardige taal, leestekengebruik en typografie. (Soms vermeed hij consequent hoofdletters, reden waarom hij wel spottend 'onze onderkastprofeet' werd genoemd).
Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij een tijdje geïnterneerd in Frankrijk, waaraan hij het prozawerk The Enormous Room (1922) heeft gewijd, volgens sommige critici een van de beste boeken over de Great War.
Nadat Frankrijk in 1940 door Duitsland onder de voet was gelopen, vluchtte generaal Charles de Gaulle naar Engeland. Van daaruit hield hij over de BBC zijn legendarische toespraak tot zijn landgenoten: Frankrijk had weliswaar een veldslag verloren, maar Frankrijk had de oorlog niet verloren. Hij riep de vrije Fransen op zich bij hem te voegen om nieuwe strijdkrachten te vormen, die uiteindelijk Hitler zouden verslaan. Als symbool van La France libre adopteerde hij het Lotharingse kruis (foto).
In Londen ging De Gaulle er geen moment van uit dat Frankrijk in de oorlog naast de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en de Sovjet-Unie hoogstens de vierde viool kon spelen. Voortdurend zat hij de geallieerden op de huid: hij was hierin niet gekend, daar was hij buiten gehouden, hij pikte dat niet, een en ander was onverenigbaar met la grandeur de la France enzovoorts.
Churchill schijnt naderhand te hebben gezucht: 'Het zwaarste kruis dat ik tijdens de oorlog te dragen had, was het kruis van Lotharingen.'
Ook hier geldt: als het niet waar is, is het goed gevonden.
In mijn lijfblad lees ik dat een heuse fansite zich druk maakt over Daniel Craig, de nieuwe James Bond (nummertje 6, na Sean Connery, George Lazenby, Roger Moore, Pierce Brosnan en Timothy Dalton). Dit natuurlijk na aanleiding van de nieuwe film Casino Royale. Velen vinden dat Craig te klein en te blond is en dat hij 'een kop en een kont als een bouwvakker' heeft. Eén recensent daarentegen is geestdriftig over de man: realistisch, gewelddadig en kwetsbaar tegelijk, een figuur met diepgang, klaar voor de 21ste eeuw.
De Britse columniste Zoe Williams is helemaal weg van de kerel, die voor haar de vleesgeworden nieuwe man vertegenwoordigt: 'Vroeger was James Bond een macho in smoking met vrouwen in bikini's om zich heen; nu is Bond zelf dominant aanwezig in zijn zwembroek.'
Hoe een Franse cartoonist tegen hem aankijkt ziet men hierboven.
Eén van De Gaulles eigenschappen was dat hij een hoge dunk van zichzelf had. Hij blies zogezegd zijn eigen lampje niet uit.
Dit heeft tal van anecdotes opgeleverd. Zo zou 'Le grand Charles', die een praktizerend katholiek was, eens op het feest van Christus Koning vóór het Christusbeeld in zijn parochiekerk een krans hebben neergelegd op het lint waarvan de tekst prijkte: 'Van de eerste burger van Frankrijk aan de tweede persoon van de Heilige Drievuldigheid'.
Se non è vero, è ben trovato (Als het niet waar is, is het goed gevonden), luidt een Italiaans gezegde.
Vandaag is het 116 jaar geleden dat generaal Charles de Gaulle, stichter en eerste president van de 'Cinquième République' , werd geboren.
Hij bezat verschillende eigenschappen die hem zowel bijzonder geliefd als buitengewoon gehaat maakten. Zijn vermogen tot 'boutades' bijvoorbeeld. Hier is een goede: 'De Tien Geboden zijn daarom zo duidelijk en voor iedereen begrijpelijk, omdat er zich niet een commissie van deskundigen mee heeft bemoeid.'
'Le grand Charles' is overleden op 9 november 1970.
Vanochtend weer eens boodschappen gedaan bij de lieve Iraanse meiden Nasrin en Madis. Nasrin betekent ‘Vaders mooiste’ en er is een vette kans dat dit klopt. Waar Madis voor staat heb ik nog niet gevraagd; je moet surprises weten te doseren, dan heb je er dubbel plezier van, zo heeft het leven me geleerd. Aanwezig was ook Madis’ jongste dochtertje, Persjia genaamd, en ik raadde meteen dat dit ‘Perzië’ betekent; kijk, je hebt een talenknobbel of je hebt hem niet.
Madis en Nasrin zijn acht jaar geleden met hun mannen (dit is weliswaar een meervoud, doch ze hebben er ieder slechts één; de heren hebben een schildersbedrijf opgezet) hun land ontvlucht, omdat ze baptist waren geworden en zoiets schiet de moslimdwingelanden daarginds in het verkeerde keelgat.
Aangeschaft heb ik onder meer, om eens te proberen, ‘liteh’; voor wie geen Farsi beheerst: dit is gemarineerde aubergine. Volgens het (piepkleine) Nederlandse etiket bevat deze lekkernij: water, augurk, azijn, bloemkool, wortel, wilde knoflook, peper, munt, zout, knoflook (kennelijk tamme), kruiden en aubergine. Volgens het (aanzienlijke grotere) Duitse etiket echter: aubergine, azijn, zwarte komijn, korianderzaad, munt, kurkuma en zout. Als ik nu de kruiden en specerijen even buiten beschouwing laat: zijn voor de Duitsers het water, de bloemkool, de wortel en de twee telgen van de knoflookfamilie eruit gezeefd?
Hoe lang is de ‘liteh’ houdbaar? ‘Siehe Deckel’. ‘Deckel’ geeft mij een tweevoudig uitsluitsel: tot 3 over 9 c.q. tot 12 voor 10. Mocht mijn weblog binnenkort uit de lucht gaan, dan kunt u ervan uitgaan dat de gemarineerde eierplant mij ten grave heeft gesleept.
De foto toont de Perzische koning Darius I, groot ‘liteh’-eter.
‘Ik doe dit soort werk al dertig jaar, maar zoiets heb ik nog nooit meegemaakt.’ Aldus Jean-Loup Quéru, een ingenieur die voor een Franse firma in Abidjan, Ivoorkust, de rotzooi opruimt, aldaar neergekwakt door het schip Probo Koala. Quéru: ‘Dit soort industrieel afval, gedumpt in deze stedelijke omgeving, in het centrum van de stad – nooit iets dergelijks gezien.’
Op een 1ste oktober (maar dan van het jaar des Heren 1814) begon officieel het ‘Wiener Kongress’, de ‘politieke top’, in het hedendaagse jargon, die na de nederlaag van Napoleon in Waterloo ons continent grondig dooreen zou schudden.
Nostalgie!
Nostalgie? Ik ben wel niet meer zo piep, maar zo oud ook niet. Ik bedoel: ik voel nostalgie, wanneer ik denk hoe vaak ik heb gekeken naar bovenstaande afbeelding in het geschiedenisboek van mijn oude school. Het is een uit 1819 daterende, ingekleurde kopergravure van de Fransman Jean-Baptiste Isabey en toont de hoofdfiguren van het congres.
Veel afgevaardigden hadden weinig of niets omhanden en gastheer keizer Franz I van Oostenrijk zorgde er met het ene daverende feest na het andere voor dat zij zich niet verveelden. ‘Het conges loopt niet, maar danst,’ schamperde de Prince de Ligne, een van de Franse gedelegeerden.
Toch heeft het congres (dat duurde tot 9 juni 1815) zijn doel bereikt: het treffen van een vredesregeling die het grosso modo geruime tijd heeft uitgehouden.
Artis natura magistra – de natuur is de leermeesteresse van de kunst. Sinds de uitvinding van de fotografie is de beeldend kunstenaar er niet meer in eerste instantie op uit de natuur natuurgetrouw af te beelden. Maar wanneer je deze foto ziet, zul je geneigd zijn te beamen dat de natuur de schilder, de beeldhouwer en de lithograaf nog altijd veel te leren heeft.
Calvin Coolidge, de dertigste president van de Verenigde Staten, had een hartgrondige hekel aan tafelgesprekken en gekeuvel in het algemeen. Hij was, althans in het dagelijkse leven, een man van zo weinig woorden dat hij de bijnaam Silent Cal kreeg.
Toen hij op een zondag thuiskwam uit de kerk, vroeg zijn vrouw Grace hem: ‘Hoe was de dienst?’
‘Ging wel.’
‘Heeft dominee mooi gepreekt?’
‘Ging wel.’
‘Waar ging de preek over.’
‘De zonde.’
‘Wat zei dominee over de zonde?’
‘Hij was ertegen.’
Coolidge werd als vice-president staatshoofd, doordat president Warren G.Harding halverwege zijn ambtstermijn overleed. Hals over kop werd hij in zijn buitenverblijf beëdigd door zijn vader, die kantonrechter en notaris was.
In het politieke bedrijf was hij allesbehalve silent. Hij was de eerste president die continentbrede radiopraatjes hield. Voor de verkiezingscampagne van 1928 schakelde hij filmsterren als Al Jolson in en componeerde hij zelfs een schlager, met de titel Keep Cool With Coolidge. Mede omdat tijdens het bewind van Harding de natie was geschokt door tal van schandalen, won Coolidge, een rechtschapen kerel, gemakkelijk.
Tot ieders verbazing en veler teleurstelling hield hij het na vier jaar voor gezien. Als reden heeft men wel aangenomen dat hij de gigantische economische kladderadatsch van 1929 zag aankomen en dat hij zich daartegen niet meer opgewassen voelde.
Coolidge was een man die vurig geloofde in het laissez faire en het heil van het kloppende huishoudboekje. In zijn ‘troonrede’ van 4 maart 1925 zei hij: ‘Ik ben voor een politiek van zuinigheid, niet omdat ik geld wil sparen, maar omdat ik mensen wil sparen. De mannen en vrouwen van dit land die ploeteren, zijn degenen die de onkosten van de overheid dragen. Elke dollar die we nonchalant uitgeven, betekent dat hun leven navenant kariger wordt. Elke dollar die we wijselijk uitsparen, betekent dat hun leven navenant royaler wordt. Zuinigheid is idealisme in zijn meest praktische gedaante.’
(Anna) Eleanor Roosevelt, die leefde van 11 oktober 1884 tot 7 november 1962, was de eerste die er zich niet tevreden mee stelde slechts de vrouw van de president te zijn. Zij was bijzonder actief op politiek en maatschappelijk terrein en men heeft wel gezegd dat zij het morele en sociale geweten van haar man, president Franklin Delano Roosevelt, was. (Terzijde: zijn voorvaderen waren Zeeuwen).
Op 27 maart 1958 presenteerde Mrs. Roosevelt aan de commissie Mensenrechten van de Verenigde Naties in New York In Your Hands, een boekje over de rechten van de mens. Bij die gelegenheid zei ze het volgende:
‘Waar beginnen op de keper beschouwd de universele rechten van de mens? Op kleine schaal, dicht bij huis – plaatsen zo dicht en zo klein dat ze op geen enkele wereldkaart te vinden zijn. Maar ze vormen wel de wereld van het individu: de buurt waar hij leeft, de school die hij bezoekt, de fabriek, de boerderij of het bureau waar hij werkt. Dat zijn de plekken waar iedere man, iedere vrouw, ieder kind gelijke gerechtigheid, gelijke kansen, gelijk respect zonder discriminatie zoekt. Als deze rechten daar zonder betekenis zijn, stellen ze nergens veel voor. Zonder gebundelde actie van de kant van de burgers om ze dicht bij huis te verdedigen, zullen we geen succes op wereldschaal boeken.’
Dat zei ze dus bijna een halve eeuw geleden. Maar het wil me voorkomen dat heden ten dage nog menigeen die woorden in zijn oren kan knopen.
Ik vond hen lichtelijk pathetisch, de Bekende Nederlanders die enkele dagen geleden een manifest voor de vrijheid van meningsuiting hebben opgesteld en er hier en daar mee hebben gewapperd.
Natuurlijk ben ik fanatiek vóór die vrijheid. Wat me niet belette in dit verband te denken aan de Deense theoloog en wijsgeer Søren Aabye Kierkegaard. Hij leefde van 5 mei 1813 tot 11 november 1855 en heeft een onmetelijke invloed gehad. Een andere filosoof van formaat, Ludwig Wittgenstein, noemde hem verreweg de diepste denker die de negentiende eeuw heeft voortgebracht.
Kierkegaard had een grondige hekel aan holle frasen, getuige deze uitspraak: ‘De mensen eisen vrijheid van meningsuiting als compensatie voor de vrijheid van denken, waarvan zij geen gebruik maken.’
'Artis' -- zo heet in de volksmond onze hoofdstedelijke dierentuin. Weinigen weten dat de naam het eerste woord van een Latijns gezegde vormt: Artis natura magistra, de natuur is de leermeesteresse van de kunst.
Je hoeft het daarmee niet eens te zijn om op deze foto de dauw in al zijn heerlijkheid te bewonderen. En wat rustgevend!
Wie gek is op oude meesterwerken uit de filmgeschiedenis, bijvoorbeeld het uit 1940 daterende, gedeeltelijk in Nederland spelende Foreign Correspondent van Alfred Hitchcock of I Married a Witch (1941) van René Clair, zal de man op bijgaande foto bekend voorkomen. Het is de Amerikaan Robert Benchley, die geboren is op 15 september 1889.
Hij speelde in meer dan 80 films. Minder bekend is, althans bij ons, dat hij ook aanzienlijk succes boekte als humoristisch schrijver en columnist. Zijn humor had krachtig absurde trekken en schijnt niet zonder invloed op het werk van Woody Allen te zijn geweest.
Hier een boutade van de man: ‘Ik heb vijftien jaar nodig gehad om erachter te komen dat ik geen schrijverstalent bezat; maar toen was het te laat om ermee te kappen, omdat ik al beroemd was.’
Deze is danig wrang: ‘Ik weet dat ik me langzaam het graf in drink; maar och, ik heb geen haast.’
Ik weet overigens niet of Benchley aan de drank was en daaraan gestorven is; wel dat hij op 21 november 1945 is overleden.

Ik volg het bezoek van paus Benedictus XVI aan zijn geboorteland niet en kan dus niet zeggen of hij er rekening mee houdt, maar een Duits gezegde wil: ‘De meeste mensen houden van korte preken en lange worsten.’
'Een kus klinkt niet zo hard als een kanonschot. Maar haar echo leeft langer.'
Dit is een uitspraak van de Amerikaan Oliver Wendell Holmes sr., die leefde van 1809 tot 1894. Hij studeerde medicijnen in de Verenigde Staten en Parijs en bracht het daarin tot hoogleraar.
In 1830 verwierf hij nationale bekendheid met een gedicht op het fregat USS Constitution, dat bestemd was voor de slopershamer. Het beroerde zoveel snaren dat het parlement vijf jaar later besloot het oorlogsschip aan te houden; en het vaart nog steeds!
Holmes schreef ook drie romans, maar is toch het bekendst gebleven om zijn licht ironische verzen.
Dit is een ook goeie van 'm: '70 jaar jong zijn is vaak prettiger en hoopvoller dan 40 jaar oud zijn.'
'Mary en ik zijn al 47 jaar getrouwd en we hebben regelmatig ruzie gehad. Maar nooit zo hevig dat we aan echtscheiding hebben gedacht. Aan moord -- ja; maar aan echtscheiding nooit van zijn leven.'
Dat was er eentje van de Amerikaanse variété-artist, radio- en televisiester en filmacteur Jack Benny. (De foto toont hem en zijn echtgenote Mary Livingstone).
Benny is ons land waarschijnlijk uitsluitend bekend om zijn rol in de kostelijke film To Be Or Not To Be uit 1942 van de uit Duitsland uitgeweken en in Amerika werkende regisseur Ernst Lubitsch.
Benny is in 1974 op 80-jarige leeftijd gestorven in Hollywood.
Het bezoek van mijn dochter met mijn twee zeer levendige kleinkinderen heeft me vandaag niet belet me te laven aan de bron van een oud en wijs man: Confucius, die leefde van 551 tot 479 v.Chr.
En dit zei hij, onder andere heel verstandige woorden:
‘Als je een baan kiest waar je van houdt, hoef je je hele leven niet één dag te werken.’
'Het is een harde klus. Soms verwond ik me.' (Alone Banda, die werkt in een steengroeve in Zambia; hij is 9 jaar. -- Geciteerd in de New York Times van vandaag).
'Je moet uit ervaringen niet meer wijze lessen trekken dan erin zitten, anders ga je op een kat lijken. Een kat die zich heeft verbrand op een hete kachel, gaat nooit meer op een hete kachel zitten. En dat is natuurlijk heel verstandig. Maar ze gaat ook nooit meer op een koude kachel zitten.'
Dit is een uitspraak van de Amerikaanse humoristische schrijver en essayist Mark Twain, die leefde van 1835 tot 1910.
Van hem is ook het befaamde bon mot: 'Stoppen met roken is helemaal niet moeilijk; heb ik al honderd keer gedaan.'
Gij, bloggers en vooral blogsters, weet dat ik een zeer serieuze man ben, die eigenlijk uitsluitend oog en oor heeft voor het Hogere.
Maar bekentenis. Soms word ik besprongen door een behoorlijk frivole bui. (Wat hetzelfde is als een onbehoorlijk frivole -- geheimnis van de Nederlandse taal). Dat mag ik van de dokter niet opkroppen. Dat moet eruit, anders belandt een mens vroeg of laat in de iso. Zegt de dokter.
Dus.
Vandaag 29 jaar geleden stierf Groucho Marx, die met zijn broers Chico, Harpo en Zeppo de Marx Brothers vormde. Nagenoeg iedereen heeft natuurlijk hun dolkomische films gezien; Groucho's handelsmerk hierin waren zijn welige, gitzwarte snor en de knots van een sigaar die hij tussen zijn kaken klemde. Later in zijn leven presenteerde Groucho een waanzinnig populaire televisiequiz. Hieraan nam eens een moeder van een groot gezin deel.
Groucho: 'Zo, tien kinderen heeft u? Dat is een flinke familie, zeg! Hoe komt dat zo?'
Kandidate: 'Och, Groucho, ik houd zo ontzettend veel van mijn man.'
Groucho: 'Ik ben dol op mijn sigaar, maar die haal ik er nog wel eens uit.'
Hoe meer ik grasduin in de nalatenschap van Will Rogers, hoe meer ik me verkneukel om zijn puntige uitspraken. Hier zijn er nog een paar:
'Onze Lieve Heer heeft de mensen zo geschapen dat iedereen, ongeacht zijn huidskleur, dezelfde hoeveelheid voedsel nodig heeft.'
'We zullen nooit ware beschaving tot stand brengen, als we niet leren andermans rechten te eerbiedigen.'
Rogers was zeker geen slecht patriot, maar hij was niet blind voor de schaduwkanten van zijn land: 'Zou het ooit met ons gedaan raken als grote natie, dan zouden we in onze grafsteen moeten beitelen: "Amerika is bezweken onder het waanidee dat het de morele leider van de wereld is".'
Op 17 augustus 1879 werd in een joods gezin in Warschau Schmuel Gelbfisz geboren. Als jongen van 16 verliet hij het ouderlijk huis, te voet en zonder één cent op zak. Via Engeland, waar hij de naam Goldfish aannam, belandde hij in de Verenigde Staten, waar hij zich, na naturalisatie, Samuel Goldwyn noemde.
Met zijn scherpe blik voor zaken zag hij dat in de beginnende filmindustrie 'Gold' te verdienen viel en zo richtte hij in 1916 de Goldwyn Pictures Corporation op (logo: de brullende leeuw), welke firma later opging in MGM.
Beroemd werd Goldwyn om zijn succesvolle rolprenten, zijn fijne neus voor talent en zijn inzet voor menslievende doelen, berucht om zijn nietsontziende manier van zakendoen, zijn onbehouwenheid, zijn woede-uitbarstingen, zijn mishandeling van de Engelse taal (hij zei bijvoorbeeld stiff upper chin in plaats van stiff upper lip) en zijn venijnige tong. Toen zijn vroegere compagnon en latere rivaal Louis B. Mayer was overleden, zei hij: 'Weet je waarom zo veel mensen zijn begrafenis hebben bijgewoond? Zij wilden zich vergewissen dat hij echt dood was.'
Samuel Goldwyn is 94 jaar oud gestorven in Los Angeles.
Will Rogers is, zoals gezegd, 71 jaar geleden dodelijk verongelukt, maar sommige van zijn bons mots zijn geknipt voor de dag van vandaag. De heren Olmert, Nasrallah, Bush en Blair kunnen in ieder geval in hun zak steken wat Rogers over gewapende conflicten zei:
'Diplomaten zijn even hard nodig voor het beginnen van een oorlog als soldaten voor het beëindigen ervan.'
Maar het kan volgens Rogers ook zonder militairen: 'Haal de diplomaten uit een oorlog vandaan en de zaak is binnen een week voorbij'.'
'Het is geen kunst moppentapper te zijn, als je een hele regering hebt die voor je werkt.'
Aldus Will Rogers, een in zijn tijd waanzinnig populair Amerikaanse cowboy, humorist, columnist, circus- en variété-artiest en filmacteur. Hij werd geboren in Oklahoma (zowel van zijn vaders- als moederskant vloeide Indiaans bloed door zijn aderen; hij was een kwart Cherokee) en hij stierf gisteren 71 jaar geleden, toen zijn vliegtuigje, met een vriend aan de stuurknuppel, in Alaska neerstortte.
Rogers was een heel geestige kerel. Er zijn honderden bons mots van hem bekend, die hem vooral karakteriseerden als de stem van de gewone man.
'Wanneer ik 's morgens wakker word, voel ik me verscheurd tussen het verlangen de wereld te redden of althans te verbeteren en het verlangen van de wereld te genieten.'
Dit is een uitspraak van Elwyn Brooke White, die leefde van 1899 tot 1985.
White was journalist. Hij was als stafredacteur verbonden aan het prestigieuze tijdschrift The New Yorker in de beginjaren van het blad. Later was hij vooral actief als schrijver van kinderboeken, geestige versjes en maatschappijkritische boeken met satirische inslag.
Vraag: herkent iemand zich in het ontwaakgevoel van White?
Vandaag is het 202 jaar geleden dat nabij Blenheim in Zuid-Duitsland een gecombineerde strijdmacht van Oostenrijkers en Britten het Franse leger vernietigend versloeg. Wat Lodewijk XIV van Frankrijk tot de gramstorige uitroep bracht: 'Hoe kan God mij dit aandoen, na alles wat ik voor hem gedaan heb?'' (Geen wonder dat men hem 'Zonnekoning' noemde).
Volgens de kijkbuis bestond de PC gisteren 25 jaar. Bovendien viert het www een dezer dagen zijn derde lustrum. Het is toch eigenlijk wonderbaarlijk wat je met deze dingen zoal kunt. Je gas betalen. Een herhalingsrecept aanvragen. Leren hoe je in je tuinhuisje een heuse bom in elkaar kunt knutselen om daarmee een vliegtuig van een gehaat land met aan boord een paar honderd onschuldige luitjes uit het zwerk te halen. Druk op de knop en een compleet toneelstuk van Vondel flitst op je scherm. Of je belandt in een uitvoering van Wagners Parsifal. Of Miss Costa Rica stulpt haar borsten uit. Of je krijgt haarfijn uitgelegd hoe JFK's oudere broer in de oorlog is gesneuveld.
Je kunt het zo gek niet bedenken of je komt erachter. Wie is in de Verenigde Staten op deze 13de augustus 2006 de 'Hond van de dag'? Wel, dat is het 2-jarige 'terrier mix'-teefje Layla, die hof houdt, kennelijk als een soort 'Zonnekoningin', in Henderson, staat Nevada. Een lyrisch doopceel wordt ons niet onthouden: 'Layla is het liefste huisdier dat je je kunt wensen. Op weg van mijn werk naar huis heb ik op zekere dag Layla meegenomen, toen ik zag dat een vrouw een mand met pasgeboren hondjes wegggooide. Ze zei dat de diertjes pas 2 weken waren en een thuis nodig hadden. Ik was op slag smoorverliefd op Layla. Na heel veel flesvoeding en slapeloze nachten is Layla een ideaal huisdier geworden. Ze is heel vriendelijk en houdt van mensen. Haar enige ondeugd is dat ze geobsedeerd is door tennisballen (ze gaat ermee naar bed, ze houdt er een in haar bek, wanneer ze haar behoeften doet en ze speelt er de hele dag mee); maar wie is volmaakt? Ik ben zo blij dat Layla in mijn leven is gekomen; elke dag op weg naar huis verheug ik me al op het zien van haar wollig snuitje.'
Lieb' Vaterland, kannst ruhig sein...
| | |||
Een duidelijk signaal dat je oud aan het worden bent is dat je voor de kaarsjes meer moet neertellen dan voor de taart.
Dit is er een van Bob Hope. Ook weer een komiek die schijnt te bewijzen dat lachen oergezond is. Toen hij zijn laatste adem uitblies, op 27 juli 2003, had hij de gezegende leeftijd van 100 jaar bereikt.
Ik heb Hope altijd voor een Amerikaanse entertainer gehouden. En dat was hij officieel ook, sinds zijn naturalisatie in 1920. Maar ik heb vandaag pas ontdekt dat hij van oorsprong een Engelsman was, geboren in Zuidoost Londen.
Nederland hecht grote waarde aan het onderwijs. Een Nederlandse lerares of leraar verdient in een jaar meer dan een beroepsvoetballer in een hele week.
(Variatie op een gezegde van Evan Esar)
Esar was een Amerikaanse humorist, die in 1995 stierf op 96-jarige leeftijd. (Bewijs dat lachen gezond is?) Hij schreef onder meer: Esar's Comic Dictionary (1943) en 20.000 Quips and Quotes (1968) en bezorgde The Dictionary of Humorous Quotations (1949).
En aangezien mijn logs nogal eens over literatuur gaan, hier nog een goeie van Esar: 'Nieuwe boeken worden vaak binnen een jaar vergeten; vooral door degenen die ze lenen.'
Morgen is het 173 jaar geleden dat in Dresden (Verenigde Staten) Robert Green Ingersoll werd geboren. Hij werd aanvankelijk militair (dikwijls werd hij daarom aangeduid met 'de kolonel'), later officier van justitie, groot pleitbezorger van de vrijdenkerij en vooral redenaar. Hij kon over de meest uiteenlopende onderwerpen op de boeiendste wijze praten en hoewel zijn redevoeringen soms meer dan drie uur duurden, schijnt geen van zijn toehoorders zich ook maar één minuut verveeld te hebben.
Hier is een kenmerkende uitspraak van hem: 'Liefde is de tovenaar, de bezweerder die waardeloze dingen omvormt tot vreugde en van alledaagse klei waarlijk koninklijke koningen en koninginnen maakt. Zij is het parfum van die wonderschone bloem, het hart. Zonder die heilige hartstocht, die goddelijke verrukking staan wij lager dan de beesten; maar met de liefde is de aarde de hemel en zijn wij goden. '
Komaan, blogsters en bloggers, peuter uw literaire ader eens open en zet hieronder eens een mooi citaat over de liefde.
'Gezegend de man die niets te zeggen heeft en nalaat ons hiervan in woord en geschrift het bewijs te leveren.' (George Eliot)
Anders dan de naam doet vermoeden was George Eliot een vrouw. Zij leefde van 1819 tot 1880 en is één van de wereldklassieken. Haar eigenlijke naam was Mary Ann (ook wel Marian) Evans.
Zij schreef onder een mannennaam, omdat zij vaststelde dat haar tijd niet veel op had met schrijfsters (vrouwen moesten kinderen baren en voor het huishouden zorgen) en dat zij onder haar pseudoniem meer kans op publicatie maakte en eerder voor loffelijke recensies in aanmerking kwam.
Onvergankelijke romans van George Eliot zijn onder meer: The Mill on the Floss, Adam Bede, Middlemarch, Daniel Deronda.
Bij vriend en vijand sta ik te boek als iemand die zijn talen kent, maar vanochtend was het mij te moede alsof ik snot zag branden.
In één van onze winkelcentra heeft de meneer die min of meer ondeugende dvd's verhuurde, het niet langer kunnen bolwerken en is het pand overgenomen door twee beeldschone Indiase meiden, die daar nu etenswaren, met de nadruk op exotisch spul, te koop aanbieden. Door nieuwsgierigheid gedreven stond ik plotseling oog in oog met een uit Turkije ingevoerd blik waarin volgens het plaatje op het etiket een soort mega- of zelfs giga-tuinbonen moesten zitten. Maar wat had de tekst me te melden? 'Bestaetigung vorher prophet deckel.'
?!?!?!?!
Nu ken ik aardig wat profeten. Sefanja bijvoorbeeld. Of de felle Amos, een late roeping, hij was aanvankelijk geitenhoeder en vijgenkweker. En natuurlijk Jesaja. Maar een profeet deckel -- of misschien betreft het een drukfout en heet de kerel Deckel -- heb ik in geen enkel naslagwerk kunnen vinden.
Wie helpt me?
'Dien grijsaard... hebben wij meer onopgemerkt gelaten, dan hij het verdient. Wel droeg hij de zilveren eerekroon der grijsheid; maar hij was vrijgebleven van de sufheid des ouderdoms, die hem niets had gebracht dan het kalmer beraad van den rijpen leeftijd, die over het onstuimige vuur der jeugd heeft gezegevierd.'
(A.L.G. ['Truitje'] Bosboom-Toussaint, Het Huis Lauernesse)
Dank u, lieve mevrouw Bosboom! Mijn dag is weer goed, ik kan er weer een tijdje tegen.
Mevrouw A.L.G. (‘Truitje’) Bosboom –Toussaint schrijft in Het Huis Lauernesse: ‘De mode eischte toenmaals nog niet, dat de weelderige vorm van de vrouwenboezem moest weggeperst worden onder een tirannisch harnas; maar in vergoeding daarvan misgunde zij elken vrijen blik op hals en schouders, die zij vermomde onder eene soort van guimpe of bagijnen-hemdje, dat, hoe, ragfijn ook en zuiver wit, niet schadeloos stelde voor alles wat het omsluierde. Een smal zilveren halssieraad sloot het om de keel dicht, welker poezele blankheid door de sierlijke boei te beter uitkwam.’
Ik ben iemand die net zo lang met een onderwerp blijft stoeien, tot ik het helemaal heb begrepen. Maar allengs heb ik me erbij neergelegd dat ik te mijner tijd zal afdalen in mijn graf, zonder het antwoord te hebben gevonden op die ene prangende vraag: waarom laten honderden miljoenen, ja, waarom laten miljarden vrouwen zich door een handjevol homoseksuele mannen voorschrijven wat zij moeten aantrekken?
Een van de Parijse heren heeft eens verzonnen dat de moderne vrouw er in profiel moest uitzien als een $. Daartoe diende zij zich te proppen in een korset waarvan de vervaarlijke baleinen haar borsten opkrikten, en, anderzijds -- om niet te zeggen: onderzijds --, met een lint om haar taille een kussen, een zogenaamde queue de Paris, op haar billen te plaatsen, zodat de kont pront en ferm uitstak, hetgeen de achterhand van de modebewuste vrouw op die van een merrie deed lijken.
Ik sla wat tijdperken over.
Plateauzolen: je fietst als kerel 's ochtends naar je werk en je ziet opeens alle vrouwen voortwankelen op een soort werkschoeisel waarmee geen zichzelf respecterende classificeerder of betonvlechter zou willen uitrukken.
Minirokjes, tot de bilnaad omhoog strevende miniminirokjes en hot pants (eens las ik in een advertentie: hotpens): je kuiert als kerel 's ochtends naar de bushalte en je ziet je plotseling omringd door wegens de kou leiblauw vernikkelde vrouwendijen.
Beenwarmers, al dan niet over spijkerbroeken: alle vrouwen beren op sokken.
Tootschoenen: misschien zaten ze lekker, kan ik niet beoordelen, maar ik kon ze ook niet flatteus vinden; wist gij, blogsters, trouwens dat ze zijn bedacht door koning Frans I van Frankrijk, die veel last had van likdoorns?
En tegenwoordig ben je, als ik het goed het begrepen, een hopeloos onmodieus vrouwspersoon, indien je op het strand niet paradeert in een reetveter.
Blogsters, hebt medelijden met deze onnozele webbroeder!
Ontfermt u over hem!
Helpt hem!
Grijpt hem onder de armen!
Met andere woorden: legt hem uit waarom u zich laat koeioneren.
Wat een ellende, broeders en zusters! Stel u voor: de Utrechtse burgerknaap Aernoud Reinierz, een steile katholiek, ontdekt dat zijn verloofde, de kasteelvrouwe Ottelijne van Lauernesse, op het punt staat het oude geloof te laten varen en, althans figuurlijk, de ketterse augustijnermonnik dr Martin Luther te omhelzen. Prompt geeft Aernoud haar de bons.
Moeder Reiniersz is er kapot van. Zij houdt zielsveel van haar jongen en vreest hem 'als eenen dorrenden boom te zien verkwijnen.' Zij is ook trots op hem; heeft hij niet het hart van een adellijke joffer gewonnen? En wat ook niet uit te vlakken valt: zijn uitzet is al klaar, eersteklas linnengoed, eigenhandig door haar en dochter Aefken geweven van door beiden eigenhandig getwijnd vlas; daar liggen de lappen nu onnut.
Vrouw Reiniersz smeekt Aernoud bemiddeling te aanvaarden; daarna een beetje geven en nemen van weerszijden, een eindje naar elkander opschuiven en alles komt goed... Maar zoonlief is niet te verwurmen, hij kan dat niet met zijn geweten in overeenstemming brengen.
Dan besluit mevrouw A.L.G. (Truitje) Bosboom-Toussaint (ets) het elfde hoofdstuk van haar klassieke roman Het Huis Lauernesse met de volgende zinnen: 'De moederlijke droomen bij het spinnewiel waren smartelijk verstoord; dat was bitter, dat was snerpend bitter, maar wat zoude het geweest zijn, zoo ze voorwetendheid had gehad! zoo gewisheid vooruit haar iedere schoone hersenschim had onmogelijk gemaakt! Hebt uwe hersenschimmen lief, gij vrouwen! als ze teleurstellingen worden, betaalt gij ze zeker duur; maar hebt gij ze dan toch niet genoten?'
Rebecca West was één van de schilderachtigste figuren uit de Engelstalige letterkunde en journalistiek en verdient daarom meer aandacht dan de summiere vermelding in mijn weblog Vrouwelijk schoon, die welvaartsmotor.
Zij werd geboren als Cecily (volgens sommige bronnen: Cicily) Isabel Fairfield. Aanvankelijk stond zij op de planken. Haar pseudoniem ontleende zij aan een personage in een stuk van Henrik Ibsen dat zij speelde. Vóór de Eerste Wereldoorlog was zij een gedreven suffragette, één van die vrouwen die in het geweer kwamen voor vrouwenkiesrecht en zich daartoe door medestandsters lieten vastketenen aan de hekken van het parlementsgebouw en met hun paraplu de ruiten van politiebureaus aan diggelen sloegen.
Nadat zij het theater de rug had toegekeerd, werd zij journaliste met literaire ambities. Zij werkte voor progressieve dagbladen en tijdschriften en voor de radio, zij schreef essays, biografieën -- onder meer over de Amerikaanse romancier Henry James en de heilige Augustinus --, een dozijn romans en novellen en een lijvig, destijds vermaard reisboek over Joegoslavië. In 1946 woonde zij als verslaggeefster het proces van Neurenberg tegen nazi-kopstukken bij.
In haar privéleven viel Rebecca West op door onconventioneel gedrag. In 1913 (zij was toen 21) begon zij een verhouding met (de al twee maal getrouwde) Herbert George Wells, de wereldberoemde schrijver van The Time Machine, The Invisible Man en The War of the Worlds. Van hem kreeg zij ook een zoon. De relatie duurde tien jaar. Daarna zou zij affaires hebben gehad met onder anderen Charlie Chaplin en de krantenmagnaat Max Beaverbrook. Later werd zij rustiger van inborst. In 1930 trouwde zij met een bankier; het huwelijk hield 38 jaar stand, tot de dood van haar man.
Rebecca West stond algemeen te boek als feministe. Zelf vond zij dat maar een rare term. Zij schreef erover: 'Ik voor mij ben er nooit achter kunnen kunnen komen wat feminisme eigenlijk is; al wat ik weet is dat de mensen me een feministe noemen, wanneer ik uiting geef aan gevoelens die me onderscheiden van een deurmat of een prostituee.'
Wat ons land acuut nodig heeft, zo meen ik te hebben begrepen van onze politici, is een zogenaamd missionair kabinet. Dit is niet, anders dan de verbouwereerde leek wellicht aanneemt, een gezelschap Paters van de Heilige Harten en (Rijke) Zusters van het Arme Kindje Jezus die het geloof gaan verkondigen aan gekleurde heidenen in de missielanden, maar een ploeg dames en heren die ons onder het huismerk 'Balkenende Drie' gaan regeren en wel in dier voege dat zij alles aanpakken wat de hand te doen vindt en zich niet beperken tot het passen op de toko. Zij zullen zich niet in het keurslijf van verlanglijstjes laten wurmen, doch steeds die wet- en regelgeving van stapel doen lopen die ten doel heeft onze opkrabbelende economie verder aan te jagen.
Je zou de indruk opdoen dat onze welvaart in eerste aanleg afhangt van het politieke bedrijf. Maar daar kan heel anders over gedacht worden. De Britse schrijfster en journaliste Rebecca West (1892-1983) bijvoorbeeld zag als motor van de welvaart het vrouwelijk schoon.
In haar uit 1918 daterende roman The Return of the Soldier schrijft zij het volgende: 'Mooie vrouwen van haar type ontdoen zich alleen op het punt van bewonderd worden van hun overigens formidabel gevoel
voor klassenonderscheid. Op een of andere manier beseffen ze dat ze het aan de beschaving verplicht zijn het kleinood van hun schoonheid te laten flonkeren voor alle mannen, zodat dezen het allemaal willen hebben en zo rijk willen worden dat zij het kunnen kopen; en zo worden de mannen door een onmiddellijk verlangen verleid de aarde te gaan bewerken, hetgeen de toekomst veilig stelt.'
Misschien ligt het aan de thermometer dat ik lust gevoel mij eens van mijn frivole kant (die er wezen mag) te laten zien.
Daarom het volgende citaat:
'Je
hebt
niet
veel
aan
uiterlijk
schoon
op
een
onbewoond
eiland.'
(Uit een onbekende bron aangehaald door
Anthony Powell in
A Dance to the Music of Time)
Eene vrouw, die zwijgt, omdat zij haar gevoelen niet weet te verdedigen, heeft het daarom nog niet opgegeven; integendeel, het hecht zich vaster in hare ziel, het wordt haar duidelijker en meer dierbaar naar mate zij er zich dieper in verbergt. (A.L.G. ['Truitje'] Bosboom-Toussaint, Het Huis Lauernesse)
Godfried Bomans heeft eens een briljant stukje gewijd aan de lichtgeraaktheid van de Nederlander. De precieze voorbeelden herinner ik me niet, maar het kwam neer op het volgende. Je maakt iemand uit voor 'koekenbakker' (toen nog: koekebakker) en terstond heb je de banketbakkersbelangenvereniging op je nek. Weet schr. wel hoe moeilijk het banketbakkersvak is? Heeft schr. enig idee hoe veel cursussen de banketbakker moet volgen? Kan schr. opsommen welke stappen vervolgens dienen te worden gezet, alvorens iemand zich als banketbakker mag vestigen? Bomans onderscheidde, als ik het wel heb, slechts één beroepsgroep die je kon schofferen, zonder dat de leden in de pen klommen: je kon iemand 'dooie dief' noemen. Maar beledigd voelden de dieven zich wel, meende hij.
Even leek het erop dat je je in ons knollenland ook niet zelf mag beledigen, zonder gelazer te krijgen. Ik ben wel niet meer zo piep, maar nog wel regelmatig zo speels als een jonge hond. In deze hoedanigheid besloot ik ergens in de afgelopen week door TPG Post drie velletjes 'persoonlijke postzegels' te laten aanmaken. Daartoe laadde ik een recente foto van mijn ouwe kop op (zie afbeelding links). Wilde ik de velletjes ook van een tekst laten voorzien? Ja, dat wilde ik. En wel de volgende: 'Ik zou je wel willen zoenen, als je niet zo verrekte lelijk was.' (Komt overigens niet uit mijn koker, maar is een citaat van de Amerikaanse toneelschrijver Eugene O'Neill, ik geloof uit zijn stuk Mourning Becomes Electra).
Een paar dagen later een e-mailtje van de firma die de zegels voor TPG Post fabriceert: 'Wij accepteren geen beledigende teksten en kunnen deze zegels dan ook niet voor u printen.' Ik leg per e-mail uit: 'De kerel op de foto ben ik zelf. Ik wilde de zegels cadeau doen aan mijn kinderen, in de hoop dat ze zouden zeggen: "Valt wel mee, hoor, pa! Je mag nog best gezien worden. Voor jouw leeftijd".'
Ik wacht nog op een reactie.
PS: Zojuist vastgesteld dat het verschuldigde bedrag van mijn girorekening is afgeschreven.
'Het was veel beter te veinzen. Ottelijne deed het. Men veroordeele haar niet te zeer! Zij deed het uit liefde en uit zwakheid, zoals meest altijd de vrouw veinst. Men beschuldigt haar te veel, men beklaagt haar niet genoeg, men doet haar niet genoeg recht, waar het die onoprechtheid geldt. Echt vrouwelijke vrouwen zijn te zwak en te liefhebbend, om zich niet somtijds te verbloemen. De vrees een hart te verliezen, waaraan zij zich gehecht hebben met al de levenskracht van haar aanzijn, doet haar wel eens tot kunstgrepen de toevlucht nemen, die haar dat hart minder waardig maken. Ze weten de mannelijke borst minder week, minder ontvangbaar voor nieuwe indrukken, en meer vasthoudend voor de reeds ontvangene. Bij gevolg griffelt zich de kwetsing er dieper in, en wordt er min vlug uitgewischt. Bij gevolg minder verzoenlijkheid bij de beleediging, minder teerheid bij het berouw, over het geheel een gemis van plooibaarheid, bij veel lichtgeraaktheid van opvatting. Moeten zij, de meest zwakke, de meest lijdelijke, de meest liefhebbende, niet eindigen met zich te plooien, te wringen, te kronkelen en te vermommen? Veinzerij, noodlottige toevlucht der vrouw, door de mannen verafschuwd, door de mannen geëischt; onzuiver vlies, dat het vloeibaar zilver overdekt; morsig wier, dat de reine bron bezwaddert! zoude het niet wel de moeite waard zijn, dat men u afschuimde en wegschoof, om te zien, uit welk eene schone ader van liefde gij zijt ontsprongen?' (A.L.G. ['Truitje'] Bosboom-Toussaint, Het Huis Lauernesse)
I was a child, and all misery was eternal. (C.P. Snow, Time of Hope)
Commentaar: Is het niet knap de vertwijfeling waaraan een kind ten prooi kan zijn, in zo kort bestek te schetsen?
Pas op, ik ben heilig overtuigd dat zowel vroeger als nu de lijst van algemeen erkende beroemdheden nooit heeft geklopt met die van de echte, duurzame glorie. (Jules Romains, Les hommes de bonne volonté, deel 4: Eros de Paris).
Met andere woorden: laat je bij het zoeken naar boeken niet het hoofd op hol brengen door die gehaaide reclamejongens en laat je niet foppen door veile recensenten, maar vorm je eigen oordeel op basis van nuchtere gegevens; dan zul je onder meer ontdekken dat ook veel werk van vergeten, kleinere goden de moeite dubbel en dwars waard is.
Bovenstaand citaat bewijst dat het vroeger al niet veel anders was dan nu. Het stamt uit 1932 en het gesprek tussen de studenten Jerphanion en Jallez waarin het voorkomt, speelt zich af in het laatste kwartaal van 1908. En de precieze Romains was er de man niet naar om zich aan een anachronisme schuldig te maken.
Verdachte (met luide stem): 'Recht! Recht! Ik eis dat hier recht gesproken wordt!'
Rechter: 'Stilte! Ik verzoek verdachte voor ogen te houden dat hij hier voor een rechtbank staat.' (Marc Galanter, Lawyer Jokes and Legal Culture; geciteerd op Arts & Letters -- zie mijn links)
Het is verkeerd het verhevene ergens in te proppen waar het niets te zoeken heeft. Je moet met berusting in je leven plaats maken voor reeksen naïeve handelingen die geen enkele pretentie hebben. (Jules Romains, Les hommes de bonne volonté, deel 4: Eros de Paris)
Arabische prins, nadat hij door een Engelse vriend was rondgeleid door het Lagerhuis: 'Het moet een hels karwei voor jullie zijn 600 hoofden af te hakken, als jullie niet tevreden zijn over jullie regering.' (André Maurois, Les silences du colonel Bramble)
Het is een aloude wijsheid van de Fransen, deze politieke dieren, maar onze dames en heren politici hebben haar al lang vergeten; als zij haar al ooit gekend hebben. Zij luidt: De slechtste Kamer is beter dan de beste achterkamer.
Ze heeft voor iedereen een ruim hart, maar het is net een gelagkamer. (D.H. Lawrence, De oude Adam en zijn nieuwe Eva)
'... onze voorvaderen zagen even gaarne een sappig wildgebraad op hunne tafel, als een mollig maagdelijn aan hunne zijde, en goudgele hypocras in den beker, als een goudgeel gelokt hoofdje, dat zich leunde aan hunne borst.' (A.L.G. Bosboom-Toussaint, Het Huis Lauernesse)
'... met die gevatheid, welke geene vrouw ontbreekt, als zij eene luim of eenen gunsteling heeft te verdedigen.' (A.L.G. Bosboom-Toussaint, Het Huis Lauernesse)
Laatste reacties